Dogon

Dogon – informatie over de Dogon, uitgaande van hun scheppingsmythen.

Deze informatie is in belangrijke mate ontleend aan notities, die ik in het wat verdere verleden heb gemaakt in schriften over boeken die ik toen had geleend en die waarschijnlijk maar weinig leden van de VVE allemaal zullen bezitten. Mijn poging is het van deze notities, aangevuld met gegevens uit het toenmalige Van Rijn Documentatie Center, uit enkele boeken en tijdschriften, waar ik toegang toe had en van de websites van enkele musea, een geheel te maken. Voor aanvullingen of correcties houd ik mij graag aanbevolen.

De scheppingsmythe.

Amma (de Scheppergod) wierp bolletjes aarde in de ruimte en schiep zo de ontelbaar vele sterren. De zon schiep hij uit een pot, die witheet gemaakt was, en omgeven werd door een spiraal met acht cirkels van rood koper. De maan schiep hij uit een soortgelijke pot, maar nu met een spiraal van wit koper er omheen.
Daarna werd de aarde geschapen uit leem. Deze aarde was, net als de zon, vrouwelijk. Zij was gevormd als een vrouw, liggend op haar rug, haar armen en benen uitgestrekt. Om de aarde vormde Amma de zee. Om de zee vast te houden, legde hij rondom de zee een slang.

Amma voelde zich eenzaam en besloot een perfecte tweeling te creëren door met de aarde te slapen, maar deze vereniging werd bemoeilijkt door de termietenheuvel, de clitoris van de aarde. Amma verwijderde die toen, en sliep met de aarde, hoewel de aarde dat niet wilde. Dit vormde toen een inbreuk op de Orde van het Universum.
Het resultaat van deze eerste, imperfecte vereniging, was echter een jakhals, Dyougou Serou.
Omdat de jakhals geen vrouw had, beging hij incest met zijn moeder, de aarde, en zo werd de jakhals des te meer een symbool van Amma’s moeilijkheden. Door deze incest werd de aarde onrein; dat leidde tot de maandelijkse menstruatie van de vrouwen.
De nakomelingen van deze vereniging zijn de Yeeban geesten, die, als zij zich verenigen, de Andoumboundou voortbrengen.
Anderzijds leverde deze incest met zijn moeder hem wel het Woord op en kennis die Amma oorspronkelijk niet voor hem en de mensheid had bedoeld. De jakhals of bleke vos, kent nu de toekomst, maar kan alleen met zijn poten spreken; daarom raadplegen waarzeggers hem door de voetsporen die hij ’s nachts nalaat op hun tekeningen in het zand (waar zij hem heen lokken met voer om te ‘spreken’).
Naar vaak wordt gezegd zijn (messing)beeldjes van een hurkende mannelijke figuur, die de handen voor zijn ogen houdt, die zich ‘schaamt’, een voorstelling van deze Dyougou Serou; anderen stellen deze toeschrijving ter discussie.
De messing ringen met Dyougou Serou werden waarschijnlijk gedragen door een waarzegger, want via Dyougou Serou kunnen zij proberen informatie te krijgen over de toekomst; de figuur op de ring zou echter ook de Nommo kunnen zijn die zich afschermt voor de problemen van Amma.

Dan hebben we de bovengenoemde:
1. Yeeban geesten, die in de rotsen leven, nabij de bronnen. Dit zijn onzichtbare, kleine, magere figuren met een groot hoofd; zij spreken niet; zij maken soms een vrouw zwanger zonder bijslaap of ruilen haar foetus tegen een foetus van henzelf; ook een pasgeboren kind kunnen zij omruilen; daarom moet men de Yeeban altijd afschrikken door een mes of een bijl naast een baby te leggen. De Yeeban zijn de eigenaren van de grond (en daarom moeten de landbouwers hen offers brengen) en van de zoogdieren en de meeste andere dieren; maar door hun contacten met de mensen en door de dieren potas te laten drinken, werden die puru = onrein voor de Yeeban en konden ze aan de mensen gaan toebehoren. Overigens kunnen jongens en maagdelijke meisjes en helderzienden de Yeeban wel zien.
NB. Het potas water kan ook gebruikt worden om aan een altaar zijn (gevaarlijkste) kracht te ontnemen; er behoeft dan niet meer op geofferd te worden.
2. Andoumboulou, dwergen, die op de bergen, op bomen en planten wonen. Zij zijn kleine, rode mannetjes met een groot hoofd en een zwarte baard.
Men maakt voor hen lemen torso’s. Zij hebben de Tellem geleerd hun woonplaatsen te bouwen op onbereikbare plaatsen. Van hen komen de eerste maskers, die aanvankelijk niet van hout waren, maar van vezelmateriaal. Het waren Satimbe, een Arou vrouw en nog een vrouw, die eens de Andoumboulou een Sigui zagen vieren, en toen kans zagen zich van het grote masker meester te maken; daarna namen de mannen het grote masker van de vrouwen af. Sindsdien verzorgen de mannen via het maskergenootschap Awa de maskeroptredens. Nog slechts één vrouw mag nu nog met de maskers van doen hebben, dat is de Yasigine, de oudste zuster van de maskers; zij wordt geassocieerd met de groepen vrouwen, die voedsel en drank leveren voor de uitvoerenden van de maskerade; in sommige gevallen kan een vrouwenbeeldje of vrouwelijke afbeelding haar voorstellen.
De kledingstoffen die Amma aan zijn beide vrouwen, de mier en de termiet, had gegeven, werden aanvankelijk ook ontdekt door een Andoumboulou vrouw.
De Andoumboulou zijn voorwerp van een cultus, vooral in de omgeving van Yougo, maar niet in Sanga.
N.B. Als de mensen iets willen vragen van Amma, moet dat via de mieren.
3. De Ginyou geesten, die in grote bomen wonen. Zij spreken de sigiso taal; zij hebben maar één arm en één been met een lange voet; zij zijn bedekt met haar en grote bladeren en zijn daarom nauwelijks te onderscheiden; zij kunnen door de bijslaap vrouwen zwanger maken; zij laten mensen uit de bomen vallen; bezorgen huiveringen aan hen die in hun schaduw komen en vallen mensen aan die op een terras slapen; jonge meisjes, met wie ze slapen, maken ze onvruchtbaar; volwassen vrouwen met wie ze slapen, krijgen Ginyou kinderen.

Daarna sliep Amma nogmaals met de Aarde, en omdat die laatste daar nu goed op was voorbereid door de excisie van de clitoris, was het resultaat nu prima: een tweeling, de Nommo’s, het Volmaakte Hemelse Paar. Dit Nommo paar had rode ogen, een groen lichaam en een gevorkte tong; het was half menselijk (van boven, van het hoofd tot aan de borst) en half een slang; hun armen en benen waren zonder gewrichten. Volgens Gottschalk in ‘Dogon’ (1987 pag. 52) waren hun handen voorzien van zwemvliezen en was hun element het water; en is hun afbeelding vaak te vinden op sloten van graanschuurtjes of als bekroning van het Kanaga masker en komt hun afbeelding in de vorm van messing beeldjes minder vaak voor.
Zij vormen in de perfectie het wezen van Amma, zijn goddelijk net als Amma, en de essentie van de levenskracht op de wereld, waarvan de beweging en de duurzaamheid van geschapen wezens wordt afgeleid. Zij zijn gelijk te stellen met het water, dat de aarde nodig heeft voor het leven, met koper (of brons) en met wit licht. Want koper is een excrement van de Nommo; en de Nommo zijn ook het licht: als de zonnestralen op de wolken schijnen, ontstaat er koper. Het Nommo paar geeft regen en vruchtbaarheid. De regenboog droeg dit paar naar de aarde en is het spoor van Nommo; de delen van hun lichaam zijn de vier windstreken en de vier elementen: water, lucht, vuur en aarde. Als de Watergeesten kunnen zij zich veranderen in een smid, een ram, een kalebas of een koperen artefact. Volgens het Metropolitan Museum mocht het Nommo paar nooit rechtstreeks afgebeeld worden omdat dit gezien zou kunnen worden als het onder druk zetten van deze geest en daarom beledigend; de zgn. ‘regensmekers’ stellen waarschijnlijk dit Nommo paar voor.
NB. Goud is de jongere broer van het koper.

Met gebruikmaking van deze Nommo tweeling schiep Amma de eerste man en vrouw ofwel het Eerste Echtpaar. Hij maakte uit klei een mannelijk en een vrouwelijk lichaam, maar die misten nog een ziel. Toen liet hij de Nommo twee silhouetten op elkaar tekenen, twee zielen, de ene mannelijk, die bovenop lag en de andere vrouwelijk, die onderop lag; de man nam beide zielen in zich op; de vrouw ook; ze kregen zo twee zielen met een verschillende sekse; bij de man zat de vrouwelijke sekse in de voorhuid; bij de vrouw zat de mannelijke sekse in de clitoris; de Nommo besneed toen de man en uit diens voorhuid ontstond toen de Nay, een soort zwart/witte hagedis, die het symbool vormt van de pijn bij de besnijdenis. Toen sliepen de man en de vrouw met elkaar en de vrouw baarde een tweeling. De pijn van de bevalling concentreerde zich bij de vrouw in de clitoris, die toen door een onzichtbare hand werd weggesneden; deze afgesneden clitoris veranderde toen in een schorpioen, wiens angel en zak de clitoris symboliseren. Daarna kwamen er nog drie tweelingen.
Het stel van vier tweelingen was biseksueel, maar de eerste vier kinderen waren in hoofdzaak mannelijk en de laatste vier in hoofdzaak vrouwelijk. Hun kinderen, tachtig in getal, verspreidden zich over de wereld.
In dit kader kan nog worden opgemerkt dat een Dogonkind dus pas na de besnijdenis of excisie helemaal mannelijk of vrouwelijk is, en dat Dogon beelden vaak tweeslachtig zijn.

De eerste Dogon was Lébé. Hij had twee zoons, die drie, respectievelijk twee kinderen kregen. Vier hiervan zijn de stichters van de vier Dogon stammen:
1) de Ono, die zich in de vlakte vestigden.
2) de Dommo, die zich ook in de vlakte vestigden.
3) de Dyon, die zich op het plateau vestigden.
4) de Arou, die zich langs de falaise vestigden.

Alle schepselen werden in die tijd voorzien van een kracht, nyama, een kern van persoonlijkheid en essentiële vorm die ook na de dood blijft voortbestaan, bij de mens nog gedurende zestig jaar.
Het nyama van altaren bestaat slechts dankzij offers, en als die in onvoldoende mate gebracht worden, verzwakt het nyama van het altaar, dat echter voor het geheel machteloos is geworden de schuldige nalatige persoon nog zo krachtig aanvalt, dat die sterft. Het nyama heeft altijd een steunpunt nodig. Daarom werd er, als er iemand was overleden, waardoor diens ziel zijn steunpunt, het lichaam, kwijt was, tijdelijk op diens terras een Dege Dal Nda geplaatst, een beeld van het terras; deze beelden werden door de Hogon in zijn huis bewaard; deze beelden werden niet beofferd en bleven dus relatief schoon.

Later trok Amma zich terug van zijn schepping en de grote Nommo gingen in zijn plaats beslissen over de aarde en haar bewoners.

Via de mierenheuvel gingen de voorouders naar de hemel en voegden zich bij de Nommo. Maar toen de voorouders door een overtreding van de voorschriften onrein werden moesten zij terug naar de aarde.
De eerste maakte daarvoor met de hulp van God een vervoermiddel, een ark, genaamd de Graanzolder van de Meester van de Zuivere Aarde. Deze ark werd het symbool van het begin der Dogon beschaving in een geordend universum, waarin elke rots, boom en dier uitmaakt van een vibrerend geheel.
In deze ark deed de oudste voorouder alles wat nodig was om op de aarde een maatschappij te stichten (planten, insecten, dieren en vissen, of liever: hun naam, en ook het materiaal voor een smidse); hij werd de beschavende held van de Dogon, en hij werd ook de eerste smid. Want toen hij de behoefte aan vuur constateerde, wist hij aan de gebogen staf van een dief te komen, en een fragment van de zon los te rukken, dat hij verborg in het leer van zijn blaasbalg en meenam in zijn ark.
Daarna riep hij de andere voorouders om in de ark te gaan en begon de afdaling naar de aarde.
NB. De blaasbalg was oorspronkelijk gemaakt uit bepaalde delen van het lichaam van een door Amma daarvoor opgeofferde Nommo: de testikels dienden als luchtzakken, de penis als het pijpje.
Ook wordt wel gezegd dat alleen de smid in de ark zat, en dat de andere zeven voorouders naar de aarde afdaalden langs een door de smid gespannen draad (‘Les Dogons du Mali’ van Gerard Beaudoin, uit 1984).

De diefstal van het vuur wekte echter de woede op van het grote Nommo paar en zij wierpen een dondersteen naar de smid. Deze wist die af te weren met het leer van de blaasbalg, die de kracht van de zon in zich had opgenomen, maar wel trof de ark de aarde met onbedoeld grote kracht, waardoor de inzittenden hun armen en benen braken. Zo ontstonden de knie- en ellebooggewrichten die het de Dogon mogelijk maken te werken en te dansen. Door de schok van de landing verspreidden de meegenomen dieren en planten zich over de aarde.

Na het neerdalen van de ark op de aarde werden er ook uit de mensen tweelingen geboren. Die hebben iets goddelijks; zij herinneren aan de oertijd, toen alles in duplo was; zij vonden de handel uit. Daarom worden tweelingen ook aan de Lébé van de markt gewijd; daar bevindt zich een stenen altaar; in de schaduw van dit altaar vindt de handel plaats.

Aanvankelijk waren de mensen onsterfelijk. Zij leefden heel lang in hun menselijke vorm. Dan scheidde hun ziel zich tijdelijk af van hun lichaam en ging naar de wereld van de Yeeban met hun kuddes wilde dieren.
De ziel nam de vorm van een slang aan. Deze slangen leefden op de erven van de mensen, in grotten en holtes. Zij verslonden kippen en dronken water. Omdat deze slangen hun voorouders waren, lieten de mensen hen hun gang gaan. Maar er was geen rechtstreeks contact en er werd geen woord gewisseld. Na een heel lange tijd kregen de slangen armen, benen en een hoofd en veranderden in Yeeban, de voorouders van de mens.

De Dogon woonden in Mandé, in het zuiden. Het leven van de mensen kwam niet ten einde, alleen hun gestalte veranderde; oude mensen werden slangen; oude slangen werden Yeeban.
Na het overtreden van de wetten van Amma kwam de dood onder hen. Als eerste stierf de zoon van Lébé. Dit nadat hij was veranderd in een slang, die de mensen later doodden; zijn lichaam werd opgegeten, maar zijn kop werd begraven.
Het werd toen de taak van Lébé, de oudste levende mens, om op reis te gaan om de speciale kennis te verwerven, die lag begraven samen met de kop van de gedode slang. Lébé daalde af in de ingewanden van de aarde en vond daar de kop van de slang; en boven de grond reisde het metalen geluid van een smidshamer, die op een aambeeld werd geslagen, door de bodem. Dit geluid bracht de slang weer tot leven. De slang verslond Lébé helemaal. De slang bleef zwaaien op het ritme van de slagen van de smid en begon de beenderen van Lébé weer uit te spuwen; deze beenderen waren echter veranderd in gekleurde stenen, genaamd dogué of dugo. Deze stenen werden uitgespuwd in een betekenisvolle vorm, namelijk die van een uitgestrekt mensenlichaam. Dit mensenlichaam werd voor de Dogon de blauwdruk voor het organiseren en functioneren op alle niveaus van de maatschappij der mensen en een uiterst heilig symbool en zegel: het symboliseerde de geest, het vleesgeworden Woord, de afspraken tussen Amma en de mensheid.

De Dogon voorouders, die in de mythische tijd leefden, nog voor de dood in de wereld kwam, worden de Binou genoemd, hun volledige naam is ‘Binou yay’ d.w.z. ‘gegaan en teruggekomen’. Zij maakten zich vaak bekend aan hun nakomelingen in de vorm van een dier dat tussenbeide kwam ten behoeve van de clan; dat dier werd dan het totemdier van de clan. Symbool voor de alliantie tussen de binou en de mens is de Dugo steen (in een hanger), gedragen door de Binou Kedine, de Binou priester, die in trance met deze geest kan communiceren. Sommige Binou worden ook met individuen geassocieerd.

Om het jaar gaan de ouderen van Yougo Dogourou, het Jeruzalem der Dogon, naar een grot ten noorden van het dorp. Daar drinken zij bier en leggen een knoop in de kalender voor zestig jaar. Deze ouderen hebben tot taak het tijdstip van het Sigui vast te stellen, het grote feest voor de eerste overledene, dat zich in een periode van acht jaar door het Dogon gebied beweegt. Want om de zestig jaar begint hier het Sigui, het feest voor al degenen, die de afgelopen zestig jaar zijn overleden. Dan komt het grote (vijf tot twaalf meter lange) Sigui masker imina na tevoorschijn dat telkens speciaal voor elke Sigui wordt gemaakt om het nyama, de kracht te bevatten die door het eerste overlijdensgeval (de dood van Lébé) vrijkwam.
Alle mannelijke deelnemers hebben voor deze gelegenheid een speciaal type staf, annex zetel, genaamd dolaba. Volgens het Metropolitan Museum wordt deze T-vormige staf tijdens de vele optochten en dansen, die gedurende de drie weken dat Sigui plaats vinden, in de linkerhand gehouden, en wordt ook gebruikt als zetel tijdens de vele biergelagen, die deel uitmaken van het Sigui ceremonieel. Nadat de Sigui is uitgevoerd, wordt de dolaba bewaard tot het overlijden van de eigenaar; als dan diens afsluitende rouwceremonie wordt gevierd, wordt zijn dolaba uit zijn huis verwijderd en overgebracht naar een rots schuilplaats, net zoals de ziel van de overleden man ritueel wordt overgebracht naar zijn laatste rustplaats buiten het dorp.
De dolaba schijnt het bewijsstuk te zijn van de deelname van de man aan de Sigui rituelen.
Dolaba, gemaakt voor olubaru, geïnitieerden in het Awa maskergenootschap, zouden meer versieringen hebben dan die voor gewone deelnemers (want zeer weinig mannen worden er daadwerkelijk in Awa geïnitieerd, hoewel alle besneden mannen deelnemen aan de rituelen, die in verband staan met de maskers).
De staf kan zijn bedekt met een laag offermateriaal, dat kan omvatten: kuikenbloed, sesam en sa olie – lannea acida -, rode plantaardige verf en rode aarde, maar ook gierstepap, mengsels van verschillende planten en vruchten, of pulp van gierstemeel of meel gemaakt van de vruchten en zaden van de baobab en yullo – parika biglobosa – bomen; en drankjes van verbrande kruiden, houtskool en shea olie. Het nyama, of de levenskracht van deze ingrediënten gaat via de dolaba naar de man die er op zit en is verantwoordelijk voor de grote toename van spirituele energie, die een persoon ervaart, die heeft deelgenomen aan de Sigui rituelen
N.B. De laatste Sigui ronde dateert van de jaren 1966-1974.

De Mythische hond. Toen de Dogon bij de Bandiagara kliffen kwamen, hielden de Tellem de plaats van de bronnen en watergaten voor hen verborgen; een hond die met natte poten terugkeerde, ontdekte echter de bron van het dorp Kani Bonzon (25 km ten zuiden van Bandiagara), zodat zij niet van dorst hoefden om te komen, iets wat bijna gebeurd was. Het stelde de Dogon in staat de Tellem te verslaan. Deze hond zien we waarschijnlijk terug als zwaar beofferd houten beeldje. Sommige van deze houten beeldjes verwijzen naar water door de hond met een open bek af te beelden, met een tong of een gebroken lijn (als symbool van water) op de staart. Griaule beschrijft in Masques dogons (348, 350) het offeren van een hond tijdens riten, die het begin markeerden van de periode voor het repareren en snijden van kostuums en maskers en meldt dat een rechthoekig gat in de rug van het dier bedoeld kan zijn voor het ontvangen van bloedoffers of het gat kan voorstellen waarin de hond alle slechte dingen begraaft
Een verwijzing uit 1907 door Desplagnes was dat er een hondenclan bestond, die het dier tijdens rituelen offerde.
De heilige Krokodil. Na de komst van de Dogon in hun huidige woongebied volgde een jager een krokodil, die hem naar de rivier leidde; daar stichtte de jager toen Bandiagara; de krokodil werd een heilig dier.

Tweede versie voor hoogstingewijden.

Er is ook nog een versie van het scheppingsverhaal voor de hoogst ingewijden. Op basis de website van het Museum dus Quai Branly, aangevuld met informatie uit mijn schrift uit ‘Les Dogons du Mali’ door Gerard Beaudoin, 1984, luidt dit als volgt.

In het begin was er niets anders dan alleen Amma, de hoogste en enige God.
Amma tekende toen de wereld en bracht gaf die leven met zijn woord en zijn speeksel. Deze wereld, bestaande uit lucht, aarde, water en vuur, was echter niet volmaakt en Amma besloot opnieuw te beginnen.
Hij schiep toen het ‘ei van de wereld’ en plaatste daarin de zaadjes van de eerste wezens, in de vorm van vissen, genaamd Nommo: een androgyne tweeling. Van de tweeling was de één meer mannelijk en de ander meer vrouwelijk.
Daarna kwamen er nog drie tweelingen in de placenta; weer was van elk van hen de één meer mannelijk en de ander meer vrouwelijk. Zij bevonden zich nog in het ‘ei van de wereld’, de placenta.
De Nommo zijn:
1. De eerste mannelijke Nommo die bij zijn vader zou blijven; hij is de heer van de Hemelen en de Regen, Wachter van de Spiritualiteit der levenden en van de zaden der planten.
2. De tweede mannelijke Nommo, die de berichtgever en uitvoerder van grote werken is geworden.
3. De derde mannelijke Nommo; uit zijn overblijfselen schiep Amma de acht voorouders van de mensheid; hij is de vader van de mensen en heer van het water.
4. De vierde mannelijke Nommo is Ogo, de opstandige, die het Woord kent, maar wanorde creëerde; hij werd de bleke vos/de jakhals; hij schiep de notie van tijd en ruimte.
5. De vijfde t/m de achtste Nommo zijn de vier meer vrouwelijke Nommo.

Ogo moest wachten op zijn geboorte en die van zijn meer vrouwelijke tweelingpartner, de achtste Nommo. Hij werd ongeduldig en begon wanorde te zaaien. Hij was erg trots en meende de gelijke van Amma te zijn: ook hij wilde de wereld scheppen. Hij verscheurde de placenta en vluchtte het ei uit. Toen Amma dat zag, nam hij Yasigui, het vrouwelijke tweelingkind dat tegelijk met Ogo geboren had moeten worden, en plaatste haar bij het eerste tweelingpaar.
De rebellie van Ogo leidde tot ernstige problemen in het heelal en bracht Amma tot wanhoop want het was diens bedoeling tweelingen te creëren.
Eenzaam en alleen in de duisternis van het niets, wilde Ogo terug naar Yasigui en drong en drong hij weer in het ei door een stuk van de placenta weg te rukken. Hij vond haar daar echter niet en begon door het heelal te dwalen en slaagde er in van Amma de zaden van de schepping te stelen, evenals diens scheppende woord.
Amma schiep toen uit het weggerukte stuk van de placenta de aarde.
Ogo profiteerde daarvan door daar de gestolen zaden te planten; maar Amma liet dit eerste veld verdrogen en nam vervolgens Ogo de zaden af en bestrafte hem door een stuk van zijn tong af te snijden en hem zo gedeeltelijk het woord te ontnemen. Ogo bleef op zoek naar Yasigui en meende dat zij in de aarde was verborgen. Daarom drong hij door in de ingewanden van de aarde of trok voren in de aarde. Hieruit ontstonden de Yeeban, die echter geen dubbele sekse kregen; dat was een mislukking voor Ogo.
Deze verschrikkelijke daad, die als incest werd beschouwd, verspreidde de onreinheid over de hele schepping: door de fout van Ogo werd de aarde droog en steriel.
Na deze daad ging Ogo weer naar de hemel om zich meester te maken van de placenta, om zijn vrouwelijke evenbeeld Yasigui te zoeken. Amma veranderde die echter in vuur en Ogo brandde zich er aan. De vrouwelijke placenta werd toen de zon, behalve het kleine, er uit gerukte stukje, dat het schildpad werd. Hierdoor is het schildpad de gelijke van de zon; het schildpad dat zowel de aarde als de zon voorstelt, die ook de aarde bewaakt en daarom vaak op de Ginna wordt afgebeeld.
In zijn woede wierp Amma Ogo op de aarde en beroofde hem voor altijd van het woord en veranderde hem in de bleke vos.

Om een eind te maken aan de chaos en de aarde te zuiveren moest Amma een andere mannelijke Nommo uit het ‘ei van de wereld’ opofferen: hij wierp stukken van diens lichaam naar de vier hoeken van de ruimte die de vier windrichtingen gingen vormen. Het bloed van dit tweelingkind deed de sterren, de dieren en de eetbare planten ontstaan.
Daarna verzamelde Amma de resten van de opgeofferde Nommo en bracht deze weer tot leven. Na deze grote lijdensweg gaf Amma hem de rol van heer van het leven en van het water en gaf hem de opdracht vier gemengde tweelingparen te creëren, waarvan hij de vader zou zijn.

Daarna maakte Amma een grote aarden ark om daar de hele schepping in te plaatsen: de Nommo, de menselijke tweelingparen, de planten en de dieren, die de aarde zouden gaan bevolken. Toen liet hij de ark naar de aarde afdalen met behulp van een koperen ketting. Maar de reis was gevaarlijk en de landing dermate hard dat de ark op de grond stuk sloeg en het reliëf van de streek sterk veranderde. Wat betreft de tweelingen, die het uiterlijk van slangen hadden, die braken hun slangachtige lichaam en zo ontstonden de gewrichten van deze wezens, die nu echte mensen werden.

Een van de acht kinderen van de derde Nommo werd anders behandeld dan de anderen: hij werd de smid. Hij zat niet met de anderen in de ark. Hij begaf zich in die tijd naar de werkplaats van de hemelse smeden en stal een stuk van de zon in de vorm van gloeiende kooltjes, evenals een aambeeld. Daarna daalde hij langs de regenboog af naar de aarde. Tijdens die afdaling trof de bliksem hem tweemaal en bij de landing brak ook hij zijn ledematen, in dit geval door het gewicht van het aambeeld; zo ontstonden ook bij de smid de menselijk ellebogen en knieën. Op de aarde werd de smid de meester van het vuur en de metalen.

Toen liet de Nommo, de heer van het water, het voor de eerste keer op aarde regenen. Men zag hoe er in de verte een plas ontstond. De Nommo veranderde zich toen in een paard en trok de ark naar de plas, die de aarde bevruchtte; en op deze plek gingen de mensen wonen.
Daarna leerde de Nommo de mensen de taal, het woord en de voornaamste technieken, zoals het weven. Want tot dan toe konden de mensen niet spreken.
Daarna leerde hij hen zich te voeden, het eerste veld te bewerken, dat bestond uit de zuivere aarde van de ark. Door de aarde te bewerken konden de mensen de onreinheid van de aarde bestrijden, en geleidelijk aan het in cultuur gebrachte gebied terrein uitbreiden ten koste van de wildernis.
Deze mensen stonden aan de wieg van de hele mensheid. Zij kregen vier zoons, Amma Serou, Binou Serou, Lèbè Serou en Dyongou Serou, de stichters van de vier oorspronkelijke Dogon clans, de Dyon, de Ono, de Arou en de Dommo.

In dit verre verleden kenden de mensen de dood niet: als zij op gevorderde leeftijd kwamen, veranderden zij eerst in een slang, en daarna in een geest.
Dyongou Serou beging toen een fout: toen hij net in een slang was veranderd, ontmoette hij jongemannen, die zich niet respectvol ten opzichte van de aarde gedroegen. Toen hij dat zag werd de grijsaard woedend en vergat dat hij een slang was en richtte zich in de mensentaal tot de jongemannen. Omdat het verboden was de taal van de ene wereld in de andere wereld te gebruiken, kwam Dyongou Serou vast te zitten tussen de twee werelden en creëerde zo een nieuwe toestand: de dood.
Enige tijd later, toen de mensen sterfelijk waren geworden, overleed Lèbè Serou op zijn beurt en werd begraven.
Toen de Dogon hun land van herkomst moesten verlaten, wilden zij zijn beenderen meenemen. In het graf vonden zij echter een levende slang, die hen tot aan het eind van hun reis, op de falaises van Bandiagara, begeleidde.
Toen zij bij de falaise van Bandiagara kwamen bij Kani-Na richtten de Dogon, die wat aarde uit het graf hadden meegenomen, daar een altaar voor Lébé op en verspreidden zij zich over het plateau, langs de rotswand en over de vlakte. En in elk dorp dat zij stichtten kwam ook een altaar ter ere van Lébé.

Naar aanleiding van bovenstaande eerste scheppingsverhaal.

1. De symboliek van het menselijke lichaam, zoals naar voren komt uit bovenstaande verhaal:
1.1. de menselijke vorm van de aarde.
1.2. de menselijke vorm waarin de door de slang uitgespuwde dugo stenen kwamen te liggen.
1.3. de menselijke vorm van het dorp. Een Dogon dorp moet er idealiter uitzien als een mensenlichaam, liggend in Noord-Zuid richting het gezicht naar boven; op de plaats van het hoofd bevindt zich het hoofdplein van het dorp, dat symbool staat voor het oorspronkelijke veld waar Lébé stierf en ten behoeve van de mensheid weer tot leven werd gewekt; hier bevinden zich ook de dorpssmidse en de Toguna, voor de Raad van Ouderen. Op de plek van de beide handen bevinden zich de huizen voor de menstruerende vrouwen. Op de plek van de borst en de buik staan de gezinswoningen. De vrouwelijke genitaliën worden voorgesteld door de stenen stampers, die vrouwen gebruiken om olie te winnen uit fijngestampte zaden. Naast deze stampers staat een fallisch gevormd altaar, dat wordt gezien als het stichtingspunt van het dorp. Aan de zuidkant van het dorp staat een groep gemeenschappelijke altaren.
1.4. de menselijke vorm van het Dogon huis. Zelfs in een Dogon huis wordt een patroon dat het menselijke lichaam volgt, aangehouden: ook dat wordt gebouwd in een Noord-Zuid as; de vloer beneden symboliseert de heilige aarde, waarin Lébé als slang werd wedergeboren; de vestibule de mannelijke partner van de huishouding; de hoofdtoegangsdeur aan de noordkant de fallus en de verbindingsdeur de vulva; de centrale en zijkamers stellen voor de vrouw die met uitgestrekte armen op de grond ligt; de muur de man, wiens skelet wordt voorgesteld door de balken; de vier rechtopstaande balken, die de muur ondersteunen, symboliseren de handen van het echtpaar, waarbij de armen van de vrouw de man ondersteunen, wiens handen op de grond rusten.
Kinderen moeten worden verwekt en gebaard in de centrale ‘schoot’ van het huis

2. De symboliek in de smidse. De moker is de handpalm van de Nommo watergeest, maar ook de volledige mannelijke Nommo. Het aambeeld is de vrouwelijke Nommo. Als men hamert op het aambeeld verenigen de beide Nommo zich.
Bij riten slaat de smid met zijn moker op de rots en ondersteunt met zijn geluid de gebeden; ook bij ruzies tussen de mensen onderling slaat de smid met zijn hamer en kalmeert de mensen door er een goddelijke noot in te brengen. Men zegt ook dat als de smid op het aambeeld slaat men het woord van de Nommo hoort.

3. Enkele objecten van messing.
Volgens Kate Azra (1988: fig. 60) kunnen ornamenten van koperlegeringen gemaakt zijn door smeden, die in de Dogontaal als jemo bekend staan. Deze smeden zijn rondreizende ambachtslieden, die niet uitsluitend voor de Dogon werken, maar ook cliënten hebben onder de Fulani en Mossi. Dit kan een verklaring zijn voor de overeenkomsten tussen Dogon objecten van koperlegeringen en die uit de Djenne regio en het omliggende gebied, waar bronsgieters, van gemengde etnische herkomst, tegenwoordig ook werken voor een heterogene clientèle (La Violette, 1986: 10-11). Zie ook verderop onder ‘Invloeden op de Dogon door onbekende metaalgieters en door de Tellem’.
Commentaar van Helène Leloup bij de veiling van de belangrijke Goldet collectie van 644 objecten op 1 juli 2001, vermeld bij afbeeldingnr. 0066438, een messing ring met alleen een paard, zich bevindend in het Yale Van Rijn Archive of African Art: alle ringen, gemaakt met gebruikmaking van de verloren wasvorm, werden gemaakt in de regio van de Louta river en in het Noorden van Burkina Fasso. Zij werden verkocht aan de Dogon, die, hoewel uitstekende smeden, geen kennis hebben van de brons metallurgie.
3.1. Dyougou Serou; de hurkende of zittende figuur, die zijn handen voor zijn ogen houdt als teken dat hij zich schaamt voor de incest, die hij met zijn moeder de Aarde, pleegde en op wie als de jakhals of de bleke vos door waarzeggers een beroep wordt gedaan om hen bij het waarzeggen te assisteren. Deze interpretatie wordt echter door sommigen ter discussie gesteld, bijv. Kate Ezra vroeg zich in 1988 in het boek ‘Art of the Dogon, Selections from the Lester Wunderman Collection’ of de mythe wel bij deze beelden behoort, want misschien geven de beelden alleen de rouw weer over een overledene; of stellen zij voor de Binou priester in knielende houding op het dak van het Binou heiligdom bij zijn inwijding; want dan hielden twee priesters zijn Dugo steen, gevat in ijzer, boven zijn hoofd en goten gierstepap en het bloed van kuikens daarop, dat dan soms ook op het hoofd en de schouders van de nieuweling liep; aan het einde van de ceremonie kwam die van het dak af, knielde voor de ingang en veegde dan zijn gezicht af.
3.2. Nommo. De figuratieve ringen en hangers met een nommo of een nommo paar zijn herkenbaar aan de slangachtige aard van hun lichaam en doordat zij veelal hun handen bij hun oren houden om een smekeling te kunnen horen.

4. Nommo hals- en hoofdkettingen. Dogon vrouwen droegen vroeger halskettingen met rode of groene kralen als zij naar de markt gingen en sommigen van hen droegen een cirkeltje van groene kralen op de slapen om een glanzende nommo voor te stellen, samen met twee rode kralen in de hoeken van de neusvleugels, als de ogen van de nommo.

5. Dugo (of Duge) steen. Dit is een gepolijste steen of een glazen kraal of ijzeren ringen, gevat in een ijzeren ketting. Deze stenen werden gedragen door:
1) hogons als priesters van Lébé of de binou priesters, de binoukidine (binou kedine).
2) helderziende vrouwen, die deze van Amma kregen.
3) vrouwen die namens andere vrouwen bij de Binou mogen bemiddelen, zij kregen de Dugo dan van de Binou.
De Dugo stelt de beenderen voor van Lébé, bevat het nyama van deze voorouder en symboliseert de band tussen de mens, (de drager of draagster van de dugo) en de voorouder (Lébé). Sommige Dugo zouden model staan voor het ‘Ei van Amma’, waaruit deze god de wereld schiep, of voor de ‘Ark van de Nommo’, waarmee de eerste voorouders naar de aarde afdaalden.
Volgens B. Gotschalk in ‘Dogon’, het manuscript van een in 1987 gehouden lezing, pag. 22, is de Dugo een ijzeren ketting met daarin een ronde steen verwerkt. Het soort stenen, dat in deze kettingen wordt verwerkt, is er bij de falaise niet te vinden. De kogel moet dus zijn meegebracht uit de oorspronkelijke woongebieden van de Dogon, of stamt uit één van de Tellemgraven en is dan mogelijk door dit volk meegebracht. Of de stenen kogel een speling der natuur is of het resultaat van een bewerking, valt moeilijk te zeggen.
Over het algemeen kan gesteld worden dat ijzeren kettingen vroeger aan de Hogon waren voorbehouden; ze herinneren aan de scheppergod Amma, die volgens de overlevering een ijzeren ketting vanuit de hemel omlaag liet hangen om een jager van de Dogon daar langs omhoog te laten klimmen. Aan deze zou Amma het geheim van het leven en de dood hebben geopenbaard. Na de terugkeer van de jager naar de aarde – weer met behulp van de ketting – zijn de Dogon hun vooroudercultus begonnen, die het in stand houden van de relatie tussen de levenden en de doden verzekert.
In ‘Fer Noir d’Afrique de l’Ouest van André Blandin en enkele anderen (1992) wordt vermeld dat de dugo stenen neolitische stenen zijn, die de Dogon vinden in de graven van de hen voorafgegane bevolkingen, die volgens hem alleen werden gedragen door de priesters van de Lébé of van de Binou; als de priester overlijdt wordt zijn collier verborgen in de wildernis en alleen een ‘geroepene’ zal die vinden en zijn opvolger worden; dat kan jaren duren of zelfs nooit gebeuren; maar de vinder wordt bezitter van de geest van de Nommo.

6. De Tellem regensmeker, de houten beeldjes met opgeheven armen.
Een vraag: zijn het wel regensmekers, zijn zij wel van de Tellem? Enkele visies.
6.1. We kennen ze in meerder typen:
1) één arm opgeheven boven het hoofd; dit stelt de Nommo voor die zich toevertrouwt aan zijn schepper voor het offer; zijn gebaar onderstreept ook zijn toekomstige rol als organisator en zijn plaats in het centrum van het heelal; er wordt van hem gezegd: ‘zijn opgeheven arm is een indicatie van het midden van de wereld’;
2) beide armen zijn afzonderlijk opgeheven; Nommo smeekt Amma om hen bij zich te houden na de opstanding ‘zoals een kind zijn handen uitstrekt naar zijn vader’, opdat Amma hem kan vastpakken;
3) beide armen zijn opgeheven en ontmoeten elkaar; de Nommo smeekt Amma om zich aan hen te vertonen: ‘Amma die de Nommo weer tot leven bracht is verborgen; ik sloeg mijn handen ineen, ik zie Amma niet’;
4) als de beide ineengeslagen handen hun palmen naar de hemel keren; dan bedelt de Nommo bij Amma om regen: ‘de mannelijke hak, die de zaden zaait is als de Nommo, die zijn armen opheft om te vragen om regen’. (Uit: Arts ‘d Afrique Noire nr. 33 uit 1980, artikel ‘Le Forgeron Céleste’ door Arturo Schwartz).
6.2. De houding van dit beeld kan ook een gebaar van excuus zijn omdat men een rituele fout heeft gemaakt en daardoor droogte heeft veroorzaakt; men vraagt om de aandacht door de handen op te heffen, net zoiets als de Gobo haakjes (Uit: ‘Dogon’, door diverse auteurs w/o Jean Louis Paudrat; uitgave Dapper Foundation, 1994).
6.3. Ook in het tiende artikel in ‘Secrecy African Art that conceals and reveals’, uitgegeven onder regie van Mary H. Nooter in 1993, staat ter discussie of deze figuren met opgeheven armen wel van Tellem origine zijn en of het Nommo zijn.
6.4. Ook bekend is een ijzeren figuur met opgeheven handen, waarbij de opgeheven handen volgens het Afrika Museum uit Berg en Dal de verbinding tussen hemel en aarde uitbeelden. Zie hierover ook onder Binou tempel.

7. Houten kruk met een daarop zittende mannelijke figuur. Een interpretatie van de Dogon mythologie suggereert dat het universum bestaat uit twee schijven – de aarde en de hemel – die met elkaar verbonden zijn door een boom in het midden. In aanvulling op de boom zien we hier vier gebogen cilinders, met op elk van hen een mensenfiguur in reliëf; dit kunnen zijn de vier oorspronkelijke Nommo, die bemiddelen tussen de beide werelden. De zittende figuur is de hogon, de oudere, wiens kennis van zowel de spirituele als de wereldse zaken hem grote plaatselijke autoriteit verleent (uit: ‘Africa, the Art of a Continent, onder redactie van Tom Phillips, 1999, pag. 509). Zie ook bij Hogon.

8. IJzeren staf met een mensenfiguur die een speer en een schild draagt. De zevende nommo voorouder, de smid, stal gloeiend heet ijzer en een stuk van de zon, en gleed toen langs de regenboog naar de aarde. Tijdens zijn afdaling wierpen de andere Nommo donderstenen naar de smid, die deze wist te pareren met zijn blaasbalg. De landing op aarde van de smid was zo hard, dat hij zijn ledematen brak, zo ontstonden de arm- en beengewrichten, en dat stelde de mensen later in staat te werken en te dansen. De ijzeren staf stelt waarschijnlijk het eerste deel van deze mythe voor: de zevende nommo, die de blaasbalg in zijn linkerhand houdt (aangegeven met het schild) en in zijn rechterhand of een dondersteen houdt of de vervormde staf van de rituele dief (Uit: ‘Africa, the Art of a Continent, onder redactie van Tom Phillips, 1999, pag. 512).

9. De ark van de wereld, genaamd aduno koro. Deze wordt weergegeven in de vorm van een vierhoekige container, voorzien van een kop en een staart (van een paard); de ark is vaak rijk van reliëfs voorzien van bijv. de acht oorspronkelijke voorouders van de mensheid en een (zwarte) krokodil.
Het Metropolitan Museum geeft daar als toelichting bij, dat de ark naar de aarde werd geleid door de Nommo, het eerste wezen dat orde in ons heelal schiep. Toen de ark op de aarde landde, veranderde de Nommo zich in een paard en bracht de acht oorspronkelijke voorouders van de mensheid en alles wat zij nodig hadden om op aarde te kunnen leven, over de aarde naar water, waar de ark bleef drijven als een boot. Nadat hij zijn taak had volbracht, werd de Nommo gedood door een zwarte krokodil [NB we zien hier dus een wat andere versie dan boven beschreven].
Deze ark werd bewaard in het huis van een lineage chief en werd gebruikt bij een jaarlijks ritueel, bekend als goru, om daar het vlees in te bewaren van de geiten en schapen, die waren geofferd op een altaar, gewijd aan Amma, de Schepper en de familie voorouders. Dit ritueel werd uitgevoerd ten tijde van de winterzonnewende en vormde het hoogtepunt van de rituelen ter gelegenheid van de hoogst belangrijke gierstoogst, waarvan de familie het komende jaar zal moeten leven

Bewoning van het Dogon gebied.
1. De Toloy (2/3e eeuw v. Chr. – ca. 1000?). Zij zijn ons slechts bekend van opgravingen.

2. De Tellem (komt van Tem mem = wij vonden hen) of Bana (= roden) (ca. 1100 – ca. 1500). De Tellem leefden van de jacht en het voedsel verzamelen. Tegen de vijftiende tot zestiende eeuw werd de Tellem bevolking vernietigd, mogelijk als gevolg van hongersnood, veroorzaakt door droogte, de komst van de Dogon of aanvallen van Songhai en Mossi slavenjagers. Hun nakomelingen zouden de Kurumba zijn, maar bij onderzoek van het erfelijk materiaal bleken er geen overeenkomsten te zijn, zodat de Dogon legende wat dit betreft onjuist is; ook bleken er bij een soortgelijk onderzoek ten aanzien van eventuele afstamming van de Dogon van de Tellem ook geen overeenkomsten te bestaan (R. Bedaux in ‘Tellem, een bijdrage tot de geschiedenis van de Republiek Mali (1977, p 35).

3. Dogon (vanaf 15e eeuw).

3.1 Hun komst. Griaule ontdekte in 1931 in de schuilplaats voor de grote maskers van het dorp Ibi negen grote maskers, wat een datering zou geven van ca. 1970 (laatste Sigui) minus 9 x 60 jaar = ca. 1.430.

3.2. Hun herkomstgebied.
3.2.1 Yatenga. Volgens ‘L’Art Africain’, door Jacques Kerchache, J.L. Paudrat en Lucien Stephan (1988, p 502/4) zouden de Dogon volgens hun eigen overleveringen in de 16e eeuw uit de provincie Yatenga zijn gevlucht voor de Peuls en de islamisering.

3.2.2. Djenne. Volgens Christopher Roy (1983) woonden de Dogon mogelijk aanvankelijk in het Djenné gebied omdat er stilistische overeenkomsten zijn tussen bepaalde (stokoude) houten Dogon beelden en Djenne terra cotta’s.
Later woonden zij in de Noordwesthoek van Opper Volta, in de Mossi staat Yatenga. Daar vertrokken zij (blijkens onderzoek bij de Mossi) rond 1480 onder druk van aanvallen van Mossi ruiters. De Dogon die niet wegtrokken, werden onderworpen en in de Mossi maatschappij geïntegreerd: de hogon van de Dogon was daar de Mossi ‘tengasoba’; hun maskers omvatten ook lange, plankachtige maskers met en rond of concaaf gezicht, verticaal verdeeld door een getande richel; zij lijken wel wat op sommige Dogonmaskers. Voor de invallen der Mossi leefden naar zijn mening de Dogon in voortdurende vijandschap met hun buren, de Kurumba.

3.3.Invloeden op de Dogon door onbekende metaalgieters en door de Tellem.
In het boek ‘Africa, the Art of a Continent, uitgegeven onder redactie van Tom Phillips (1999; pag. 485,487) wordt gewezen op de grote overeenkomsten tussen sommige illegaal opgegraven kleine Djenné messing amuletten met Dogon messing objecten, waardoor men ging spreken over ‘een Dogon stijl’, wat betreft de kleine bronsjes en enkele miraculeus behouden gebleven houten beelden, en van een ‘Djenné stijl’ wat betreft de gevonden terra-cotta’s; deze verdeling is echter volgens de auteur niet realistisch, nu er inmiddels ook een heel spectrum van tussenvormen van gietwerken bekend is geworden die niet overtuigend in de twee groepen kunnen worden ingedeeld; we hebben dus te maken met een enkel breed ‘stijlgebied’, waar een verscheidenheid aan workshops en persoonlijke substijlen zich ongetwijfeld uitstrekken over meerdere generaties of zelfs eeuwen. De metaalkunst van de Djenné en die van de Dogon waren dus met elkaar verbonden, zo niet hetzelfde; het is ook zo dat het Dogon land het achterland was van Djenné. De twee gebieden liggen geografisch dicht bij elkaar en zelfs tegenwoordig nog komen Dogon boeren en handelaars geregeld naar de markt in Djenne; het lijkt daarom waarschijnlijk dat er sprake was van één enkele groep van metaalgieters (wier etnische identiteit onbekend is), die werkplaatsen had, verspreid door de hele regio; het is zelfs mogelijk dat de messing gietwerken, gemaakt voor de burgers van het oude Djenné, de voorgangers zijn van degene, die later werden gemaakt voor de Dogon, Senufo, Lobi, Kulango en andere volkeren uit de Volta, zoals de Tussian. Het is denkbaar dat verschillende takken van de ver weg getrokken Lorhon ambachtslieden (die niet alleen de animistische Lobi, Kulango en Senufo bedienden, maar ook de geïslamiseerde Diula van Kong) oorspronkelijk verantwoordelijk waren voor het introduceren van het brons gieten bij al deze verschillende volkeren.

De Dogon leefden aanvankelijk vreedzaam samen met de Tellem. Maar de Dogon gingen het gebied in cultuur brengen en ontnamen zo de Tellem de mogelijkheid zich in leven te houden met voedsel verzamelen en de jacht en dwongen hen zo het land te verlaten. Ook zegt men wel dat de Tellem en de Dogon met elkaar in conflict kwamen en de Tellem gedurende dertig jaar door de Dogon werden belegerd.
Ook nu nog beschouwen de Dogon de Tellem als de eigenaren van de grond; zij brengen hen offers en achten hen grote magiërs, die de vorm van geesten kunnen aannemen en zich materialiseren in stofwolken of zich verbergen in bomen; de wilde dieren zijn hun kuddes; dat laatste geldt trouwens ook voor de Yeeban.
De Dogon kennen aan de Tellem bovennatuurlijke magische krachten toe; zij zouden de komst van de Dogon hebben voorzien en hun woonoorden hebben ontruimd, niet bij wijze van vlucht, maar om plaats te maken voor het nieuwe volk. Hun nederzettingen en heiligdommen lieten zij achter als een erfenis voor hun opvolgers.
De Dogon plaatsten de Tellem beelden bij hun altaren, waar ook hun eigen beelden stonden. De Dogon magiër met een Tellem beeld op zijn altaar is sterker dan een ander in het doen van goed, maar ook van kwaad.
De eerste beelden (degui’s) waren die van de Tellem; zij houden hun handen omhoog als een gebed om regen; de Tellem beelden konden door het gebed van de Tellem lopen als mensen. De Tellem hebben stenen gegooid naar de Andoumboulou en die stenen zijn beelden geworden.

3.4. Invloed op de Dogon door de Djenné en de Soninke.
In het Yale Van Rijn Archive of African Art komen we tegen een tweetal stijlen:
3.4.1.Dogon-Djennenke; dit gaat om 21 houten beelden, waarvan er enkele van een C-14 datering zijn voorzien: nr. 0009928: 11e eeuw; nr. 001602: 11/12e eeuw; nr. 0028843: 12e eeuw; nr. 0071841: 15e eeuw; nr. 0018769: 16/17e eeuw. Volgens Helène Leloup (1994: 119-136) stamt de Djennenke stijl uit het noordoostelijke deel van de Bandiagara hooglanden, waarvan de hele bevolking, naar men zegt, stamt uit het Wagadou rijk, gelegen in Mauritanië, ook wel bekend als het rijk Ghana. Nadat het rijk Ghana was vernietigd migreerden de Nononké en Soninké volkeren in opeenvolgende golven, in het bijzonder naar Djenné. De Djennenke kunst ontwikkelde zich zo in het noordoostelijke deel van de Bandiagara hooglanden tussen de 11e en de 15e eeuw. Deze beeldhouwtraditie stierf uit bij de Songhai verovering en de bekering van de bevolking tot de Islam.
3.4.2. Dogon-Soninke; dit gaat om 36 houten beelden. Hiervan hebben er drie stuks een C-14 datering gekregen, te weten: nr. 0003012 uit de collectie van het Afrika Museum in Berg en Dal: 1281 +/- 60 jaar; nr. 0015364, daterend uit de periode 1240 – 1410; nr. 0028843, daterend uit de 12e eeuw.
N.B. Het kan overigens zijn dat er in feite meer Djennenke en/of Soninke stukken in dit archief zijn, want nr. 0003603, een houten Dogon ruiter, heeft een C-14 datering van 1300 – 1390, en is dus pré-Dogon, want daterend van voor de komst van de Dogon naar dit gebied.

3.5. Mijn conclusie.
Het blijft heel moeilijk iets zinnigs te zeggen over de herkomst van de Dogon en welke culturele erfenis zij meebrachten of welke zij overnamen van een plaatselijke bevolking en hun buren. Kennelijk zijn zij uit het Yatenga gebied naar hun huidige woongebied gekomen om aan de aanvallen van de Mossi ruiters te ontkomen, en zijn zij daar door de daar woonachtige bevolking (de Tellem) en ook hun buren (de Djenné) sterk beïnvloed, zodanig dat zij hun werken niet alleen kopieerden, maar ook gebruikten binnen hun eigen culten; zo bleven er houten beelden van de Tellem, uit Djenné en van de Soninke bij de Dogon bewaard, die, anders dan de beide laatstgenoemde volkeren, niet geïslamiseerd werden.

4. Latere ontwikkeling. In 1818 werd het Fulani rijk Macina gesticht, dat alle volkeren tot de Islam wilde bekeren. Enkele jaren later vluchtte een deel van de Dogon, woonachtig op het plateau en in de Séno vlakte de falaise in om bescherming te zoeken tegen de slavenjachten van de Fulani en de Mossi, zij het dat er zich daar ook Dogondorpen aansloten bij de Fulani en zich tot de islam bekeerden uit angst voor confrontaties.
In 1864 versloegen de Toucouleur de Fulani, die toen richting Timboektoe en de Seno vlakte vluchtten, van waar zij tot 1880 nog geregeld aanvallen op de Toucouleur bleven doen en zo voor onrust in het Dogon gebied zorgden. De Toucouleur islamiseerden de Dogon op het plateau definitief: elk Dogondorp daar kreeg een moskee.

5. De Europeanen. De Fransen verschenen in het gebied rond 1900: in 1903 veroverden zij Bandiagara, maar de meeste dorpen werden pas in 1912 veroverd; het laatste dorp, Tabi, capituleerde pas in 1922 (Brasseur 1968: 367).
De luitenant Louis Desplagnes schreef als eerste in 1907 in een boek over de Dogon, of Habbe: ‘Le Plateau Central Nigerien: une Mission archeologique et ethnografique au Soudan francais’.
De eerste Tellem expositie werd volgens ‘L’Art Africain, door Jacques Kerchache, Jean Louis Paudrat en Lucien Stephan (1988, pag. 502/4) in 1954 gehouden.
Daarna vonden in de jaren zestig de Tellem expedities van Herman Haan plaats.
Na de tweede Wereldoorlog is geleidelijk aan het toerisme naar het Dogon gebied op gang gekomen. Rachel Hoffman schrijft hierover in haar artikel ‘Dogonkunst in het moderne Mali’, opgenomen in het boek ‘Secrecy, African Art that conceals end reveals’, onder redactie van Mary H. Nooter (1993). Zij weet te melden dat er in de tachtiger jaren een samenwerking is ontstaan tussen Dogon en gidsen die bezoekers rondleiden, en dat sindsdien Toguna palen zeer gezocht zijn geworden en men in de behoefte is gaan voorzien door de oorspronkelijke toguna te verbergen en replica’s aan te brengen, die men dan, na de nodige gespeelde aarzelingen, wel wil verkopen; deze toguna’s werden kunstmatig oud gemaakt; de gidsen leiden de bezoekers langs de hiervan voorziene vergaderhuizen en langs rotsschilderingen en vertellen uitgebreide verhalen om te voorzien in de nostalgische behoeften van de bezoekers; tenslotte gaan ze langs de boutiques des arts, die de meeste dorpen tegenwoordig hebben en die hoofdzakelijk voorzien zijn van hedendaagse beelden, samen met enkele oudere stukken. Daar kunnen dan de bezoekers, in de juiste stemming gekomen, iets kopen.

Sociale structuur en gewoonten van de Dogon.
De Dogon (300.000 tot 500.00 personen omvattend, verdeeld over zo’n 700 dorpen aan de voet van de falaise van Bandiagara, op het plateau van Bandiagara en op de Séno vlakte) zijn in hoofdzaak landbouwers, maar houden ook wat geiten, kippen en schapen, en een enkeling zelfs vee; jacht en voedsel verzamelen leveren een welkome aanvulling op het menu.

De Ginna.
De vier Dogon stammen kunnen verdeeld worden in patrilokale clans of uitgebreide families, de Ginna. Deze omvatten alle afstammelingen in de mannelijke lijn van een gemeenschappelijke voorouder, de Babinou, met een gemeenschappelijk totemdier. De Ginna staat onder leiding van de oudste man van de groep. In het dorp heeft elke Ginna zijn eigen wijk, waarvan het huis van het oudste lid van de Ginna en dus in principe het huis van de stichter, het centrum vormt. Deze woning heeft vaak een voorgevel in de vorm van een aantal nissen, die de herinnering oproepen aan de acht oorspronkelijke voorouders van de Dogon, en deels aan die van hun nakomelingen ter plaatse. Als woning van de patriarch is zij tevens het heiligdom, waar de cultussen, gewijd aan de zielen van de voorouders van de familie (de wagem) plaats vinden.
De leider van de Ginna, de Ginna Bana, is tevens priester, de Binoukidine, en voert in een heiligdom, dat kan zijn opgericht op de binnenplaats van de Ginna, riten uit en brengt offers op de begrafenispotten, die substituten vormen van de voorouders, om de harmonie tussen de levenden en de doden te handhaven; de voorgevel van dat gebouwtje is versierd met basreliëfs en beschilderingen en heeft één of meer ijzeren haakjes (gobo) die ervoor bestemd zijn de aandacht te trekken ten gunste van de clan en de leden daarvan, van de krachten die de vruchtbaarheid van de grond en de mensen begunstigen.
De patriarch beheert ook, bijgestaan door een raad van ouden, de heilige en profane goederen van de collectiviteit (de meeste akkers en voorraadschuren behoren aan de Ginna). Formeel kan de patriarch geen bevelen geven, maar, zeggen de Dogon: ‘men moet hem gehoorzamen’.
De aangewezen opvolger van de Ginna Bana zal zijn functie pas aanvaarden na afloop van de eerste rouwperiode, dus na ca. zes maanden.

Tegenwoordig heeft de komst van de islam en westerse ideeën geleid tot het vragen van meer onafhankelijkheid voor de leden van de Ginna, en daardoor zijn in bepaalde dorpen de gemeenschappelijke landbouwgronden onder de kerngezinnen verdeeld.

De Tonno.
De mensen behoren niet alleen tot een Ginna, maar ook tot een bepaalde leeftijdsklasse, tonno, wat overeenkomst met een groep pas besneden jongens of een groep meisjes, waarvan de clitoris net is weggesneden.

De kaste van de smeden en die van de leerbewerkers.
De smeden annex beeldhouwers in hout, en de leerbewerkers, vormen beide een afzonderlijke kaste; zij geven hun beroep door aan hun erfgenamen. Zij worden door de gemeenschap, die hen bijzondere macht toeschrijft, gevreesd en gerespecteerd. Zij kunnen slechts binnen hun kaste trouwen. Hun vrouwen houden zich bezig met het maken van aardewerk.
De smeden spelen in veel dorpen een belangrijke rol als raadslieden en bemiddelaars bij conflicten, een functie die zij meestal delen met de Hogon.
Volgens Kate Ezra (1988: fig. 60) werd in een Dogon mythe de eerste smid door Amma geschapen uit het bloed en de navelstreng van Nommo. En werd Dieterlen verteld dat ‘Nommo en de smid van rood bloed zijn, dat Nommo en de smid een tweeling zijn, beide zijn als rood koper’. Deze relatie verleent de smid Nommo achtige macht, in het bijzonder het vermogen regen te brengen, wat men noemt het zaad van Nommo. Deze associatie tussen Nommo en de smid wordt tot uitdrukking gebracht via ijzeren objecten, het materiaal van de smid, geplaatst in Binou heiligdommen, op het dak van de woning van de hogon, en op altaren, gewijd aan Nommo, waar zij de regen aantrekken, het graan en de levenskracht, die komen van Nommo en zijn ‘tweelingbroer’ de smid.

Het dorp.
Dit heeft de vorm van een mensenlichaam, is meestal klein en wordt voor het merendeel bewoond door afstammelingen van een gemeenschappelijke voorouder. Centraal staat de Toguna, het vergaderhuis, dat idealiter is voorzien van acht gebeeldhouwde palen (drie langs de oost en de westkant en twee aan de binnenkant); het dak is zo laag dat de mannen tijdens de discussie moeten blijven zitten; wie opspringt, stoot zijn hoofd; het strodak bestaat idealiter uit acht lagen. Deze verwijzingen naar het getal acht, duiden op de acht voorouderlijke Nommo.
Ook vinden we hier de Ginna, het voorouderhuis, waarin de oudste man van het dorp (de uitgebreide familie) woont. Er is ook het menstruatiehuis waarin menstruerende vrouwen zich tijdelijk terugtrekken.
De smid en de leerbewerker wonen aan de buitenkant van het dorp.

Een huis.
Dit bestaat uit een aantal gebouwtjes, gebouwd van natuursteen met leem als bindmiddel of gebouwd van gedroogde lemen stenen; de gebouwtjes staan gegroepeerd rond een binnenplaats.
De graanschuurtjes en heiligdommen voor de voorouders zijn voorzien van houten sloten; het gaat dan om een eenvoudig mechanisme om de toegang af te sluiten. De sloten moeten met name magische bescherming bieden tegen ongeluk en beheksing en niet zozeer technische bescherming. De effectiviteit berust dus vooral op de symbolische inhoud van het motief dat het slot siert, de afbeelding van een totemdier zoals een krokodil of een voorouder.

De Hogon.
Bij de Arou stam kent men slechts één hogon; bij de drie andere Dogon stammen heeft elk dorp zijn eigen hogon.
De Hogons behoren tot de oudste mannen van de gemeenschap; zij dragen rituele halskettingen en armbanden van ijzer, waaraan stenen zijn bevestigd: het ijzer verwijst naar de aarde, waarin de voorouders begraven liggen; de stenen, dugo, symboliseren het gebeende van Lébé, de eerste Hogon (zie ook bij Dugo).
Tot de taken van de hogon behoren:
1) het optreden als priester van Lébé – God Slang – wat men tevens kan beschouwen als een verering van de Nommo; het altaar voor Lébé bevindt zich bij de hogon en bevat een pakje met aarde van het graf van Lébé, meegenomen door de Dogon tijdens hun migratie;
2) rechtspraak.

Een hogon wordt na zijn verkiezing op de rug van iemand naar zijn woning gebracht. Hij is voortaan onderworpen aan vele taboes:
1) Het dorp bewerkt voortaan zijn landerijen voor hem, want hij mag zich niet meer in het zweet werken;
2) hij mag de grond niet aanraken met zijn blote voeten, want hij bezit de levenskracht van het volk, en dan zou die verbranden; daarom droeg hij vroeger ijzeren sandalen.
Als symbool van de zon draagt de Hogon een conische rode muts en een commando staf.

De Keerou is zijn vertegenwoordiger; die kan namens de Hogon rechtspreken; tegen zijn beslissingen (en die van de Dorpsraad) kan men bij de Hogon in beroep gaan; men dient de Hogon via hem te benaderen, behalve bij audiënties van de Hogon zelf.

De Hogon bezit (veelal):
1. een ronde houten zetel, bestaande uit twee horizontale ronde stukken (het voetstuk en het zitstuk), die met elkaar verbonden zijn via een centrale pijler en ribvormige zijpijlers met figuren in reliëf; deze zetels worden genoemd ogo toungo.
2. Een houten vat op poten, met een deksel, waarop een figuur. Dit monumentale vat werd volgens het Metropolitan Museum gebruikt om voedsel in te doen tijdens de installatierituelen van Hogons; een ruiterfiguur op of onder het vat stelt de hogon voor, die hier gelijk wordt gesteld met de Nommo, het mythische wezen, dat zich in een paard veranderde om een ark met de acht eerste voorouders naar de aarde te brengen.
Volgens het Musée dus Quai Branly werd het vat niet alleen gebruikt bij de installatierituelen van de Hogon, maar ook bij door de Hogon geleide oogstrituelen; wel maakte Eric Jolly in november 2007 hier als kanttekening bij, dat de beker, verbonden aan de installatie van de Hogon, niet noodzakelijk ervoor bestemd is voedsel te ontvangen.

Na zijn overlijden mag de Hogon pas na drie jaar vervangen worden; zijn waarnemers zijn dan zijn zoon en de dorpsoudste.

In African Art, vol. XII, nummer 2 van februari 1979 is bij het artikel ‘Dogon Bronzes’ van Fisher H. Nesmith Jr als afbeelding 1 een messing ring weergegeven met een staande figuur, met een zwaard in zijn rechterhand en een waaier, bestaande uit een platte spiraal met vier cirkels, in zijn linkerhand, die door zijn conische muts wordt beschouwd als een hogon waarbij de schrijver verder nog de waaier interpreteert als vergelijkbaar met de Waaier van God, de waaier die Dogon vrouwen gebruiken om in het vuur te porren en dat dit object Amma gedenkt, die een windspiraal was voor de schepping (dit laatste aldus Griaule en Dieterlen 1951:17).

Yona, de Rituele Dief.
De Yona vormen een specifieke groep mensen met deze erfelijke titel. De dief draagt een speciaal vezelmasker en kostuum en een speciale staf, de Yo Domolo; zijn gezicht is in een tulband gewikkeld. Hij verschijnt bij begrafenissen en andere openbare bijeenkomsten. Geaccepteerd wordt dat hij bij een begrafenis dieren en andere goederen steelt, waarvan de waarde opweegt tegen de kosten van de begrafenis. De dief die zich daarbij laat pakken, krijgt slaag.
Men vindt het teken van de Dievenstok in tal van heiligdommen en de Dogon beweren dat de Dief de Smid is die naar de aarde is afgedaald. Deze traditie is behoorlijk mysterieus en het is vreemd dat de diefstal zo tot een instituut is geworden.

Huwelijk/geboorte.
De huwelijken zijn vrij; het nieuwe echtpaar nodigt alleen zijn vrienden op de bruiloft, niet de ouders.
Als een vrouw van haar man wil weggaan, doet zij dat. Als zij daarna weer bij haar man wil terugkomen, moet zij gezuiverd worden: de neef van de vrouw beweegt een kaurischelp of een ei over haar hele lichaam, die daarna in een mierenheuvel wordt geworpen, daarna offert men nog een schildpad; de ceremonie vindt ’s nachts plaats in aanwezigheid van een vriend of een familielid.
Bij seksuele omgang gaat de man op zijn rechterzijde liggen; de vrouw gaat voor hem liggen, met haar rug naar hem toegekeerd.

Vader van een kind is degene, die het eerst na de menstruatie van de vrouw seksuele omgang met haar had. De vrouw behoort na haar verblijf van vijf dagen in het Menstruatiehuis haar echtgenoot als eerste te bezoeken.
De vrouw bevalt van haar eerste kind altijd bij haar ouders; ze bevalt, zittend op een lage taboeret, zich vastklemmend aan een verticale balk of paal.
Pas drie weken na de geboorte, als de vrouw met haar kind de geboorte hut mag verlaten, krijgt het kind een naam; in feite krijgt het zelfs drie namen:
1) de Ginna Bana van zijn vader geeft hem zijn boy toy naam; daaraan kan men zien uit welke wijk het kind komt en uit welke Ginna;
2)de Ginna Bana van zijn moeder geeft hem zijn boy na naam, die echter maar zelden gebruikt zal worden;
3) de totempriester van Binou geeft hem zijn geheime naam, die alleen de priester mag gebruiken. Na de besnijdenis vertelt de vader zijn zoon diens ‘juiste’ naam.

De vrouwen gebruiken voor normale voedingen van hun kinderen hun rechterborst; de kinderen grijpen, als ze dorst hebben, of behoefte om te zuigen, de linkerborst; hierdoor wordt de linkerborst vaak langer dan de rechterborst. Borstvoeding wordt gedurende 2 ½ jaar gegeven.

Gebruikelijk is dat een vrouw tot haar tweede kind is geboren, niet bij haar man komt wonen (vroeger pas nadat het derde kind was geboren); haar ouders mochten dan het eerste kind houden als vergoeding voor het verlies van hun dochter.

Als er geen kinderen geboren worden, proberen de man en diens vrouwen seksuele omgang met derden om te zien waar de onvruchtbaarheid aan ligt.

Kleding.
Tot een leeftijd van vier jaar draagt een jongen een korte tuniek zonder mouwen; de lange tuniek met mouwen en de ruime broek mogen alleen ouderen dragen.
Kleding is voor de Dogon belangrijk, want naakt zijn betekent zonder Woord zijn; hoe ouder een man, des te ruimer wordt het fond van zijn broek; de hogon heeft het ruimste fond.

Dood en begrafenis.
Het dodenritueel neemt bij de Dogon een centrale plaats in. De Sigui viering van de eerste dode bij de mensen en de vezels van de maskers staan in verbinding met deze dood.
Voor de Dogon is de dood de scheiding van de elementen die de persoonlijkheid vormen. Elke persoon bezit: de ziel, een lichaam, levenskracht. Bij de dood resteert alleen het lichaam, de andere elementen verlaten het en worden actieve krachten, die men moet kanaliseren.

De begrafenis.
Deze vindt zo spoedig mogelijk na het overlijden plaats. De overledene wordt gewassen en geschoren en in zijn eigen kleren gestoken; men laat zijn kinderen komen en vraagt de overledene die niet mee te nemen en hen dus in leven te laten. Als de overleden man een Sigui heeft gevierd of als sprake is van een Yasigine (bepaalde vrouwen), laat men het bromhout draaien om de Yeeban te waarschuwen dat er een nieuwe ziel naar hen toe komt. De overledene krijgt bij zijn begrafenis twee maskeroptredens, te weten:
1) ’s nachts brengt het Grote (Sigui) masker hem een bezoek (voor het huis); men bevestigt dan een levende kip aan de top van de mast van het grote masker, die de maskerdrager (Oloubarou) meeneemt naar de maskergrot en daar offert.
2) de baga bundo, een optreden van de gewone maskers, dat overdag plaats vindt; men vraagt dan de overledene om vergiffenis voor de eerste fout, die de dood op de aarde bracht. Er wordt een rouwstoet geformeerd; de dode wordt in doeken gewikkeld en, als hij belangrijk was, met trommelbegeleiding naar de dodengrot gebracht en daarin opgehesen. Onderweg zijn er schijngevechten om de ziel van de overledene te verjagen en om de bezittingen van de overledene tussen de familie en de schoonfamilie (die van de moeder).
Mannen blijven enkele dagen waken aan de voet van de falaise om het lichaam tegen tovenaars te beschermen. Op het familiealtaar zet men een kalebas met water of dhone (= water met meel, melk en honing) opdat de dode ziel zijn dorst kan lessen. De ziel van de overledene blijft nog in het dorp wonen.

Tweede fase.
Zes tot twaalf maanden na het overlijden wordt via een ritueel de overledene verzocht het familiehuis te verlaten; men plaatst op de eerste dag een beeld, dat de overledene voorstelt, op het terras van zijn woning, of men legt daar de dekens, waarin de overledene was gewikkeld. Er treden op deze dag normaal gesproken geen maskers op. Wel imiteert men de verschillende belangrijke periodes/daden van de overledene. Het grote masker komt weer tevoorschijn. Er wordt een witte koe geofferd (ter herinnering aan de legendarische koop van de dood voor de prijs van een koe van Amma). Op de tweede dag voeren de mannen een beeld op een brancard aan, gewikkeld in doeken, dat de Dyongou voorstelt [NB. Kennelijk is hier bedoeld Dyongou Serou, de voorouder van de Dommoclan, die volgens de tweede mythe de dood in de wereld bracht]. Krijgers simuleren de ontvoering van de brancard; mannen en vrouwen voeren de dodendans uit. Het feest kan in totaal drie dagen duren; de overledene verlaat nu het dorp, maar blijft nog wel in de omgeving rondzwerven, ja, kan zelfs weer in het huis komen.

De Dama dodenrite.
Dama betekent: ‘gevaarlijk’ of ‘verboden’. Deze rite, die drie tot vijf jaar na het overlijden plaats vindt is bedoeld om de ziel van de overledene te laten vertrekken.
Op de eerste dag plaatst de familie de dolaba (staf annex zetel) van de overledene op het dorpsplein. Daarna is er het dansen van de individuele gemaskerden, die elk afzonderlijk een eigen dans uitvoeren, begeleid door trommels.
Op de tweede dag komen de maskers weer elk individueel optreden, nu als eerbetuiging voor hen die een Sigui meemaakten (in feite voor de dolaba die aan deze mensen toebehoren).
Op de derde dag lokken de dansers de zielen van de doden mee naar de wildernis en de zielen gaan dan op weg naar het Dodenrijk.
Deze ceremonie is kostbaar en daarom viert men meestal met enkele families gezamenlijk de Dama van meerdere overledenen. Hoe belangrijker iemand bij zijn leven was, des te uitgebreider dient de Dama te zijn.

Het maskergenootschap, het Awa.
Maskers zijn een waar instituut. Wie een masker bezit mag dat niet bekend maken aan zijn naasten; als hij met zijn masker danst, mag hij niet worden herkend. De maskers worden voornamelijk gebruikt tijdens begrafenisceremonieën. In bepaalde dorpen zijn er nog meer dan honderd maskers, die toebehoren aan de leden van Awa.
Men moet onderscheid maken tussen het eigenlijke masker dat het hoofd van de drager bedekt en zijn kostuum, dat varianten met zich kan brengen voor eenzelfde masker.
Het maken van een masker vereist veel voorzorgen; de danser, die zijn eigen masker maakt, moet offers brengen om zich te beschermen tegen het nyama van de boom en betaalt een tribuut van een kauri schelp aan de eigenaar van de om te hakken boom.
Een danser houdt zijn houten masker tussen zijn tanden met een stukje hout dat ter hoogte van de mond in het masker wordt bevestigd. Om te vermijden dat het masker naar voren valt is er een net bevestigd aan de bovenkant van het masker dat eveneens het hoofd omvat. Bovendien verbindt een koord dit net met een koord dat om de borst van de danser zit; zo kan het masker niet bewegen en volgt het alle bewegingen van het lichaam en het hoofd van de danser.
De Awa leden spreken onder elkaar een geheime, antieke taal, het sigiso.
Nadat jongens zijn besneden, leren zij de geheimen van de maskers zoals dat de dansers mensen zijn.
NB. In feite zou het zo zijn dat slechts enkele jongens formeel tot Awa toetreden en de andere jongens alleen mee mogen doen aan de Awa dansen.

De altaren/schrijnen van de Dogon.

Voor de Goden:

Andugo, het altaar van Nommo, voorheen genoemd de regensmeker. Dit altaar is de focus voor offers aan Nommo, als Heer van het Water. De regensmeker staat op altaren op een bovenste terras, op een binnenplaats e.d. Deze altaren bestaan uit een stapel oude stenen, gereedschappen, donderstenen, waarin ook ijzeren haken zijn gestoken.

Voor de voorouders:

Binou tempel. Hier worden de mythische voorouders vereerd, uit de tijd toen de dood nog niet in de wereld was gekomen.
Deze tempel wordt verzorgd door de Binou priester of Binoukidine; deze draagt een ijzeren halsketting met de Dugo steen en ook een ijzeren armband uit één stuk, waaraan vier belletjes hangen; deze halsband zou overigens door deze priesters op de schouder zijn gedragen en niet om de hals en wel op zo’n manier dat de belletjes klonken om de gebeden van de priester in de geheime taal te onderstrepen.
Griaule zag ijzeren Gobo d.w.z. haakjes met twee naar omlaag gekeerde armen (als ramshoorns), geplant op het fronton van deze tempels of op bepaalde altaren; de twee armen vormden de gehoornde voorkant van de hemelse ram, wiens spiralen de regenwolken vasthouden. Ook treft men hier aan op de bovenkant van de tempel haakjes met naast de twee armen ook een hoofd; zij hebben een beschermende rol en fungeren als tussenpersonen naar de geesten; maar soortgelijke objecten kunnen ook op het familiealtaar hebben gestaan.

Lébé altaar. Dit bevindt zich bij de hogon en heeft veelal de vorm van een fallus, overgoten met witte gierstepap. Lébé gaat iedere nacht naar de hogon; daarom moet die elke nacht thuis zijn. Dan likt Lébé de hogon tot het zweet hem over het lichaam stroomt; geen druppel hiervan mag verloren gaan, want het nachtzweet van de hogon is één dag langer leven voor het Dogonvolk.

Ana Yimum en Ya Yimin. Ana Yimum zijn overleden mannen; Ya Yimin zijn overleden vrouwen; het gaat om rechtstreekse familievoorouders. Dit altaar komt in de Ginna-na, het huis van de Ginna bana, te staan als de betreffende voorouder een cultus wenst en dat rechtstreeks of via een dier duidelijk maakt door aan de fungerende chief een dugo steen te geven; deze steen draagt de chief eerst zelf en later de priesters die hem opvolgen. Deze steen is de tijdelijke woonplaats van de ziel en het nyama van de Binou (hij die is teruggekomen).

Vagem of Wagem altaar. Vagem wil zeggen: ‘zij die ver weg zijn’, de voorouders. Dit zijn voorouderaltaren, waar de zielen van de overledenen heen gingen; zij werden gemaakt in het eerste huis (Ginna), dat door de groep werd gebouwd, toen zij zich hier vestigde.
De hier wonende patriarch fungeert als priester.

Persoonlijke altaren.

Elk individu bezit twee altaren:
1. Kutogolo. Dit is het altaar van iemands eigen hoofd, ku. Het bestaat uit een bal van aarde, gemengd met zaden, waarin ijzeren haken, aarden potten en soms kleine houten beeldjes worden gestoken. Dit altaar wordt gemaakt door de vader enkele dagen voor het vertrek van zijn zoon voor de besnijdenis; het wordt ingewijd door een offer van gierstepap, vergezeld van een bede, dat de goede kracht in het kind zal blijven en de slechte kracht zal verdwijnen met het bloed dat bij de besnijdenis wordt vergoten; het hoofd van de jongen wordt met het altaar in contact gebracht. Volgens Griaule symboliseert dit altaar de eerste mens, Lébé.
2. Het altaar van het lichaam. Dit altaar wordt meestal door de vader gemaakt in de vorm van een lemen bal, gemengd met nagels, haren en enkele druppels bloed van zijn kind; dit gebeurt veelal als het lichaam van het kind versterking behoeft en als het een puber is; het meisje kan nu worden uitgehuwelijkt. Dit altaar symboliseert volgens Griaule ook Lébé.

Bala. Het altaar voor een linkshandig persoon, die speciale krachten zou hebben in zijn linkerhand.

Overige altaren:

Het schrijn voor de Yaupulu. Het in een hol zich buiten het dorp bevindt zich het altaar voor de zielen van de Yaupulu, de witte vrouwen; dat zijn vrouwen die tijdens hun zwangerschap zijn overleden; hun priester ervan is een geneesheer; elk jaar wordt hier geofferd door hen, die zijn genezen van ziekten, veroorzaakt door de ziel van de overleden vrouw; zo’n overleden, zwangere vrouw heeft wanorde, steriliteit en de dood veroorzaakt.

Aanvullende opmerkingen over de Dogon kunst.

Ruiterfiguren.
Over de betekenis van ruiters en paarden bestaan meerdere hypothesen, waarbij wordt gewezen op:
1. de Nommo, de goddelijke verwekker van de mensheid, die in een paard veranderde om de oerark naar het water te trekken;
2. de ruiter als machtige persoon, als de Hogon, de hogepriester van de Lébé. Volgens Desplagnes (1907: 332) werd de hogon tijdens zijn dodenriten, rechtop op de rug van een paard gebonden en dan in deze positie een klein stukje gedragen. Daarom denkt Cole (1989: 121) dat sommige van de ringen met een ruiterfiguur deze scène weergeven.
N.B. lang niet iedereen is het ermee eens dat de ruiterfiguur een hogon voorstelt of kan voorstellen omdat paarden bij de Dogon hoogst zeldzaam waren (en het ook tegenwoordig nog een zeldzaamheid is een Dogon te paard tegen te komen) en het daarom logischer is de paarden te associëren met bereden vijanden, wat mogelijk ook gesuggereerd wordt door de speer van de ruiter en diens ronde schild.
3. Dyon, een oer-voorouder die te paard zou zijn gemigreerd vanuit Mande naar het huidige Dogon gebied (suggestie door de Grunne, 1987).
4. de ruiter als voorstelling van een smid of een woudgeest; volgens een toelichting bij een ruiterfiguur in de collectie van het Afrika Museum in Berg en Dal kunnen zij ook de eerste smid voorstellen, die het vuur wist te ‘temmen’, en worden dergelijke beeldjes soms gemaakt na een ontmoeting met een woudgeest om zich tegen hun kwade invloed te beschermen.
5. de ruiter als machtige krijger, invaller of afgezant van elders.

1. Messing ringen met de figuur van een ruiter te paard daarop.
Het verhaal van de waarzegger uit Yougono, een van de drie dorpen van het bijzondere rotsblok van Yougo, verankerd op enkele kilometers van de falaise. In het verre verleden konden de Dogon niet paard rijden en kenden ook niet de paardentuigen en het zadel. Twee broers, die jaloers waren op een derde broer, wilden zich van hem ontdoen door hem voor te stellen dat zij hem als hun chief zouden erkennen als hij een wild paard dat zij gevangen hadden, kon temmen.
De broer accepteerde het voorstel, maar nauwelijks zat hij op de rug van het paard of het rende in galop met hem weg. Hij kon zich maar nauwelijks vasthouden op de rug van het paard en reed de hele dag en de hele nacht zo over de Seno vlakte en stak die over. De volgende ochtend arriveerde hij in een Mossi dorp, waar de mannen, gealarmeerd door zijn kreten, zijn paard onder controle wisten te krijgen.
Hij werd ontvangen en verzorgd. Een smid maakte voor hem stijgbeugels en paardentuigen zoals degene, die gebruikt worden door de Mossi; hij leerde daarvan gebruik te maken en na enige tijd kon hij te paard terug rijden naar zijn dorp.
Bij zijn terugkomst vluchtten zijn broers en de dorpelingen namen hem als hun chief.
Sinds die tijd maken de Dogons van de falaise ruiterringen ter herinnering aan deze gebeurtenis.
Deze door de waarzegger vertelde legende lijkt er op te duiden dat de Dogon voor hun komst naar het land van de falaises niet konden paardrijden; en dat zij dat geleerd hebben van een andere etnische groep, die dit wel kon in het waarschijnlijk vrij recente verleden.
De verdere informatie die in de dorpen over de ruiterringen gekregen kon worden was over het algemeen vaag en soms tegenstrijdig. Meerdere oude mensen hebben zich herinnerd dat zij die lang geleden hebben zien dragen door notabelen, maar zonder te kunnen preciseren wie de afgebeelde ruiters voorstelden, het antwoord dat hier het vaakst op werd gegeven was dat het Peul waren.
Bepaalde informanten hebben bevestigd dat de Dogon de Tellem ruiters hebben gekopieerd, waarvan men er enkele oude kent die van hout zijn gemaakt (Uit ‘Afrique de l ‘Ouest Bronzes et autres Alliages’, door André Blandin in 1988 p 34/5).

2. Houten ruiterfiguren.
Niet duidelijk is wat hiermee bedoeld worden. Zijn dit dorpspriesters, mythische figuren, primordiale figuren of agenten van historische veranderingen (Uit: het tiende artikel in ‘Secrecy African Art that Conceals and reveals’, onder redactie van Mary H. Nooter (1993).

Ruwe kleine antropomorfe aardewerkfiguren.
Volgens het Afrika Museum in Berg en Dal, dat zo’n figuur bezit, worden deze figuren ‘ton’ genoemd en laat men ze maken bij de medicijnmannen van het dorp Koundou in de Séno vlakte, de enigen die dat kunnen. Via offers aan dit beeldje kan men een vijand ziek maken; de getroffene krijgt overal bulten op zijn lichaam en sterft binnen een week, tenzij hij naar Koundou gaat om een nog machtiger medicijnman tegenmaatregelen te laten treffen.

Neksteun.

Volgens het Afrika Museum in Berg en Dal maken de Dogon geen gebruik van hoofd- en neksteunen, ook niet als doden gave; eventuele in het Dogongebied gevonden neksteunen zijn dus van de Tellem.

Tot slot.

Foto’s van schitterende Dogon stukken (waaronder de ark, de dolaba staf, annex zetel, een hogon vat met ruiter, een Yo Domolo staf voor de rituele dief en het grote masker imina na) zijn te vinden op de website van het Metropolitan Museum: http://www.metmuseum.org/collections/search-the-collections?ft=Dogon

Een grote, goede fotocollectie van Elisofon uit de jaren 1947 – 1973 uit onder andere het Dogongebied, die zich bevindt in Smithsonian Institution Research Information Center, is te zien op website: http://sirismm.si.edu/siris/eepaculturegroup.htm

Zeer goede, meer recente foto’s uit onder meer het Dogon gebied, zijn te vinden op de website van Huib Blom: http://www.dogon-lobi.ch/index1.html

23/4/2013.
Dick