Old Calabar en de Efik-Ibibio.

In Zuid Nigeria lagen in de 19e eeuw twee handelsstadstaten met de naam Calabar, te weten Old Calabar, gelegen aan de Cross River, en New Calabar, in de Niger Delta.
New Calabar, bewoond door de Kalabari Ijaw, is met name bekend van de voorouder schermen, de nduen fobara, waarvan een voorbeeld uit het British Museum is te vinden op http://studydroid.com/imageCards/0d/48/card-13770906-front.jpg
Over Old Calabar, bewoond door de Efik Ibibio, wil ik het nu hebben. Bij het zoeken in Google Books stuitte ik namelijk op het 681 pagina’s dikke boek “Twenty-nine Years in the West-Indies and Central Africa: a review of Missionary work and Adventure 1829 – 1858”. (uitgegeven in 1863), geschreven door ds. Hope Masterton Waddell, voormalig zendeling in Old Calabar (voor de United Presbyterian Church). De schrijver was in de jaren 1846 – 1858 met enkele onderbrekingen in Old Calabar, waar hij als eerste westerse predikant samen met anderen enkele missiestations oprichtte, de taal leerde, leerboeken in de taal ging schrijven en veel kennis opdeed van de gewoontes en gebruiken van het land, uiteraard wel gezien door de ogen van een zendeling. In de periode van zijn aanwezigheid in Old Calabar was hier de export van slaven (de zgn. illegale handel), sinds het begin van de 19e eeuw door de Engelsen verboden, al een tijd gestaakt en vervangen door de handel in palmolie (de zgn. wettige handel), die met name in het binnenland werd geproduceerd; de slavernij bestond ter plaatse nog wel en binnen Afrika werd er nog slaven verhandeld. Slaven hadden soms een vertrouwenspositie. Men kende een speciale ceremonie voor het opnemen van een nieuwe slaaf in de familie: hij of zij moest een ceremonie, uduokmong (het werpen van het water) geheten, ondergaan: ‘hij gaat staan onder de beneden dakrand van het huis van zijn nieuwe meester, waarop water wordt gegooid, dat op zijn hoofd terecht komt. Dit betekent zijn intrede in een Calabar familie, en afscheiding van zijn oude land en gewoontes, en gaat vergezeld van een passende vermaning om zich dienovereenkomstig te gedragen’ (H 28). Overigens werden volgens de auteur in de tijd van de slavenexport alleen die slaven verkocht voor de export, die krijgsgevangen waren gemaakt of als misdadiger tot slavernij waren veroordeeld (in beide gevallen was de slavernij een alternatief voor de dood; mensen die zichzelf als slaaf verkochten of wegens schulden tot slaaf werden gemaakt, werden niet voor de export verkocht (H. 16).
En: ‘elk vrije kind heeft een (iets ouder) slavenkind dat vanaf zijn geboorte bij hem hoort en met hem opgroeit en hoogst intiem met hem wordt, en hoewel afhankelijk, een soort autoriteit krijgt op basis van zijn leeftijd en functie. Zij kwamen en gingen samen, speelden en aten samen, en sliepen samen. In het latere leven werd die slaaf hoofdman en adviseur van zijn jonge meester, en het meisje van haar meesteres, en bereikte zo een positie met veel invloed, autoriteit en respect’.
Een slaaf kon eigen bezit hebben en zelfs zijn eigen slaven. Die laatste waren er soms slecht mee af. Welgestelde personen, verstandig en meevoelend, zorgden zowel voor geregeld werk als steun voor hun slaven. Maar degenen die werden gekocht door stadsslaven, die geen geregeld werk hadden en geen steun van hen kregen, verkeerden vaak in een ellendige positie. Losgelaten zonder te weten wat te doen, ziek, hongerig en naakt zwierven zij rond, voorwerpen van zowel medelijden als angst, en bedelend en stelend wat zij konden. Toen zo’n slaaf een berisping kreeg over het stelen, antwoordde hij: ‘wat kan ik doen? Ik heb geen meester om me voedsel te geven of kleding’. Sommige van hen werden roekeloos, doodden mensen in hun woede, en werden gedood (H. 16).
Alles speelt nog voor het koloniale tijdperk, zij het dat met name de Engelsen in Old Calabar een zekere invloed begonnen te krijgen.
Aan het boek heb ik verder het volgende ontleend over Old Calabar.

De ligging.

Afrikaanse westkust

Old Calabar ligt in de Bocht van Biafra aan de Calabar rivier ofwel de Cross River, zo’n 50 mijl stroomopwaarts, in Zuidelijk Nigeria in een laag gelegen gebied van mangrove wouden, moerassen en kreken. De eigenlijke bodem is licht en zanderig en binnen een afstand van 80 mijl van de zee worden er geen stenen gevonden. De bewoonbare delen van het gebied bestaat uit zacht zwellende golvingen, die 100 à 200 voet hoog zijn, en richting het binnenland geleidelijk toenemen. Het oorspronkelijke woud (op de hoger gelegen gronden, waar geen mangrove bossen meer zijn en landbouw mogelijk is) heeft daar plaats gemaakt voor boerderijen, waar ‘roofbouw’ wordt gepleegd d.w.z. er kunnen 2 à 3 oogsten worden verkregen en daarna laat men het land weer 5 à 10 jaar braak liggen om zich te herstellen. De algemene opinie was dat blanken hier niet konden leven; blanken hadden er daarom ook geen vaste woonplaats; de handelaars/kapiteins van de schepen, die hier handel kwamen drijven en daarvoor maanden in dit gebied bleven voor hun schepen vol waren, bleven op hun schepen wonen. De zendelingen echter wilden hier wel gaan wonen, maar ter wille van hun gezondheid jaarlijks enkele maanden (de slechtste maanden) elders doorbrengen; uiteindelijk doen zij dat niet en houden zij hun stations permanent open. Dit was mede mogelijk omdat zij gezonder leefden dan de zeelui (geen gedistilleerd dronken), reeds dagelijks het toen nieuwe product kinine slikten, attent waren op de omgeving (niet gingen wonen bij stilstaand water waar de malariamuggen zich voortplanten), en zo nu en dan een gezondere omgeving opzochten om hun gezondheid te herstellen (de zee of het drogere binnenland).
In dit tropische gebied kent men drie seizoenen: 1) het droge seizoen, van december t/m maart; er hangt dan vaak een droge nevel, die de vegetatie doet verdorren en alles verduistert; dit is de periode voor openbare ceremonieën, dansen spelen, en spelletjes, want dan liggen zowel de handel als het werk op de boerderijen stil; 2) het regenseizoen, van juni t/m september; dan is alles vochtig en kil; 3) het tornadoseizoen, de maanden voor en na de regens, dus april en mei, en daarna oktober en november; deze laatste twee maanden zijn over het algemeen voor Europeanen de slechtste maanden, waarin de plotselinge verandering van wolken en mist en regens naar een heldere hemel en brandende zonnestralen van nature koorts aan de Europeanen bezorgen (H. 17).
Het gebied verder stroomopwaarts was bij de komst van de missionarissen nog nauwelijks verkend: kapitein Beecroft exploreerde als eerste de rivier met de stoomboot Ethiope over een afstand van 150 mijl van Old Calabar (H. 17).
De Calabar week bestaat uit acht dagen. De laatste dag is gewijd aan ‘Yampy Egbo’; de eerste wordt genoemd ‘Calabar Zondag’ en is een algemene feestdag (H.13).

Het ontstaan en de geschiedenis van Old Calabar.
De Portugezen, de eerste ontdekkers van deze kust, gaven de namen Calabaros en Calapongas aan de stammen in de Bocht van Biafra. De eerste naam is gehanteerd voor het Efik volk, hoewel het geen woord uit hun taal is en zij hun huidige woonplaatsen toen nog niet bewoonden. Oorspronkelijk woonden de Efik in het Ibibioland (of wel Egbo Shary land), tussen de rivieren de Niger en de Cross River, dat grensde aan de grote Ibo stammen. Toen zij vroeg in de 18e eeuw tijdens een burgeroorlog werden verslagen, verlieten zij hun oude land en stichtten nieuwe nederzettingen op de oostelijke oever van de Cross River; een deel van hen ging verder stroomafwaarts om dicht bij de Europese schepen te komen, die daar slaven kwamen kopen. Deze mensen stichtten Ikoritungko, door de Engelsen door haar ligging Creek Town genoemd. Deze stad werd door de handel in slaven (gekocht in het binnenland) zeer welvarend, maar er ontstonden interne twisten, waardoor de zwakste partij werd weggejaagd en een nieuwe stad stichtte enkele mijlen stroomafwaarts; dit werd Obutong, nu Old Town; deze nieuwe stad sneed de handel af naar Creek Town en de bewoners van deze stad zagen zich genoodzaakt een nieuwe stad te stichten, nog verder stroomafwaarts, en noemden die stad Aqua-Akpa, of New Town, nu Duke Town. Deze laatste stad overheerste door haar gunstige ligging weldra de beide andere steden en werd nog machtiger toen zij de chiefs van Old Town in de val lokten en allemaal vermoordden; sinds die tijd begon het verval van Old Town, dat de buitenlandse handel sindsdien helemaal moest overlaten aan haar beide rivalen.
Aan het begin van de 19e eeuw was Efium, door de scheepskapitein Duke Ephraïm genaamd, de heerser van New Town; hij wist de stad flink uit te breiden en overheersend te maken; dit ging ten koste van nu Creek Town (wiens heerser Eyo Honesty I hij tot de bedelstaf wist te brengen); deze stad werd uiteindelijk verlaten en ging omdat deze van zeer vergankelijk materiaal was gebouwd, spoedig in de wildernis op; hij legde de vissersdorpen aan de kust een jaarlijks tribuut op, dat zij nog steeds betalen, en legde hen op nooit, onder geen voorwaarde, bij een Europees schip te komen en maakte de schepen en personen van blanken onaantastbaar in het land, maar hoedde zich er zorgvuldig voor, dat zij nederzettingen aan de wal zouden stichten om de stad te overheersen; door hem werd de stad bekend onder haar huidige naam Duke Town. Hij overleed in 1834 en werd toen opgevolgd door Eyamba, die de titel aannam van ‘Eyamba V, koning van alle zwarten’; hij was tot koning gekozen via veel beloftes, geschenken, vleierij en door aankoop van het hoofdmanschap van Yampy Egbo. (H. 16) Deze Eyamba overleed in 1847 en werd na een interregnum in 1848 opgevolgd door Archibong (H. 26).
De zoon van Eyo Honesty uit Creek Town, Eyo Eyo II wist zijn grote familie weer tot samenwerking te krijgen en hij begon aan de wederopbouw van hun fortuin en de stad; hij had Duke Efraïm bijgestaan en diens gunst gewonnen, was hutjongen geweest bij Engelse kapiteins en had Engels leren spreken en schrijven. Hij wist het nieuwe Creek Town weer tot een onafhankelijke, belangrijke handelsstad op te werken, onafhankelijk van Duke Town (H. 16). In 1850 claimde Eyo zelfs koning van heel Calabar te zijn (H. 21). In 1852, tijdens de wanordelijkheden na het overlijden van koning Archibong van Duke Town ging Eyo naar Duke Town en bemiddelde daar succesvol. Hij had een goede relatie met de zendelingen. Koning Eyo overleed op 3 december 1858, en werd opgevolgd door zijn zoon Young Eyo, die echter al in 1861 overleed (H. 33).
In 1855 werd Old Town door het Engelse oorlogsschip Antelope verwoest als straf voor de moorden, gepleegd bij gelegenheid van het overlijden van chief Willy Tom Robins, en tevens werd verboden de stad te herbouwen. Na de verwoesting bouwden de mensen, die maar gering in aantal waren, hutten in de naburige wildernis om hun greep op de grond te houden. In 1856 werd het verbod op herbouw ingetrokken en kon begonnen worden met de herbouw van Old Town (H. 30).

Staatsstructuur.
Old Calabar omvatte in feite drie afzonderlijke stadstaten, 1) Creek Town (de oorspronkelijke stad) en de later gestichte steden 2) Old Town en 3) Duke Town, met elk aan het hoofd zijn eigen heerser, meestal het hoofd van de rijkste en machtigste familie.
Hun macht was echter beperkt; zij waren meer de primus inter pares, de belangrijkste van de vergadering van plaatselijke chiefs, de familiehoofden, die gezamenlijk over zaken, de stad aangaande, moesten beslissen. In feite was het staatsverband van de stad heel los; de structuur was patriarchaal, waarbij het hoofd van elke familie over zijn familie heerste; als twee families ruzie kregen en dat niet konden regelen, al dan niet via bemiddeling, moesten zij het uitvechten tot de zwakste partij toegaf; de buitenlandse handel bracht echter Calabar in zo’n toestand, dat er behoefte was aan een eenheidsband tussen de verschillende families en aan een autoriteit om vrede en orde af te dwingen. Die autoriteit werd het Egbo genootschap (H. 16).
Overigens was er wel een ‘koning van Calabar’. Hij was het restant van de grootste man van het land, een soort Pontifex Maximus, een soort paus, geestelijk leider. Hij had de leiding over de Ndem Efik, ofwel de grote Calabar Juju. Hem bewezen de chiefs van het land eer, terwijl hij niemand gehoorzaamheid verschuldigd was; voor hem en zijn idool werden de overeenkomsten tussen stammen en families onder ede gesloten. Maar zijn functie is in diskrediet geraakt en de emolumenten zijn zo gering dat men slechts een verarmde heer kan vinden om de eer te aanvaarden (H. 17).
De heren van deze drie stadstaten hebben plantages/boerderijen vooral langs de Qua rivier, waar met gebruik van slaven vooral yams worden verbouwd, maar kennelijk ook bananen en konkies (?)
Deze slaven hadden als beloning voor hun arbeid recht op een aandeel in de oogst, die zij dan wel behoorden te verkopen aan hun meester (H.24).

De drie steden.
De rijken wonen deels in de stad, deels op hun boerderij op het platteland. Over de omvang van de steden wordt niets vermeld. Wel zijn er wat losse opmerkingen.
Algemeen: Honden worden in de steden niet toegelaten (H. 17.)
Creek Town. De stad bestaat uit drie wijken: 1) de Honesty stad; 2) de Ambo stad; 3) Jack’s stad. Wijken die soms met elkaar vochten; koning Eyo verbood dit uiteindelijk via een Egbo wet.
In de stad stond het Palaver huis (voor de vergaderingen), een grote, lage schuur, die met zijn achterkant naar de straat was gekeerd en van voren helemaal open was; de achterkant was afgesloten door een nis voor Egbo mysteries; aan de voorkant stond de grote Egbo trommel, vastgezet op een frame, om slechts te worden geslagen bij gelegenheden van openbaar belang; ervoor stonden twee rechtopstaande vijfhoekige stenen, ‘herinneringszuilen’, die van basalt leken te zijn, die oorspronkelijk uit Kameroen waren meegebracht. Op zowel de trommels als de zuilen bevond zich bloed van offers. In het midden van de straat, voor het Palaverhuis, stond de figuur van een man, ruw gesneden uit een grote paal, die ook zijn voetstuk vormde; op de voorkant van de basis leek een slang te kronkelen en op de achterkant was een alligator. Daar zou de duivel staan; anderen zeiden dat het niets betekende, en slechts als kunstwerk en antiek werk werd gewaardeerd; het werd echter niet hoog gewaardeerd, want toen na verloop van tijd het hout in de grond begon te rotten, en een koe hem afbrak, werd hij nooit meer overeind gezet.
Buiten de stad is een ‘Duivelshuis’, een tijdelijke structuur, gewijd aan enkele overleden personen, waarin vele huishoudelijke en waardevolle artikelen werden gelegd zoals potten en kalebassen e.d., nadat ze eerst door er gaten in te maken onbruikbaar waren gemaakt (om diefstal te voorkomen), en voedsel zoals yams. Dit was daar ‘voor de duivel’(H. 13).
Op de heuvel, waarop het missiehuis mocht worden gebouwd, bevond zich een bos, waarin de mensen lijken wierpen van mensen die geen begrafenis kregen; want slechts heren en hoofdslaven krijgen een begrafenis; en gewone slaven en zij die aan de gifproef zijn overleden, werden hier geworpen, want ‘in te struiken te worden geworpen was goed genoeg voor arme en slechte mensen’ (H. 13).
In Creek Town vindt eenmaal per jaar een algemene vergiftiging plaats van de ratten in een afgesproken nacht, met de bast van een bepaalde struik, gemengd met voedsel (H. 17).
Duke Town. De stad zag er maar armzalig uit. Aan het strand stonden schuren vol lege olie vaten, die aan de schepen toebehoorden. Bij nadere kennismaking werd de binnenstad er niet beter op. De huizen waren laag, met leem bepleisterd, en met palmbladeren als dak, en hadden geen ramen, maar elk huis had wel een ruime deur, die leidde naar een kleine binnenplaats. Er waren evenwel verscheidene gebouwen met een houten frame van twee verdiepingen te zien op verschillende plaatsen, en het ijzeren huis van de koning in het centrum van de stad. Er was nauwelijks zoiets als een straat, en de passages tussen de huizen waren smal, bochtig, onregelmatig en smerig (H. 13).
Het geld op de markt bestond uit koperen en messing roeden, die de schepen aanvoerden elk equivalent aan bijna een shilling; en uit kleine of markt koperstukken, gemaakt door de inlandse smeden uit de grotere roeden, elk ongeveer het equivalent van ½ penny. Deze inlands gemaakte koperen stukken waren stukken van kleine draad van twee voet lengte (H. 13).
Old Town. ‘De beschermgod van Old Town, Anansa, leeft in een bron aan de voet van de heuvel’, zeiden sommigen, of ‘in de rivier nabij de stad’, zeiden anderen (H. 17).
In 1853 was Willy Tom Robins de chief van deze stad; aan de voet van de heuvel waarop het missiehuis daar stond, bevindt zich de bron, waaruit de stroom ontspruit, waaruit de missiefamilie en sommige schepen hun beste water haalden. In het bosje rondom deze bron bevond zich de heilige plaats van Anansa, de god van Old Town, en daar bewaarde de oude chief naar hij zei, zijn schaduw of ziel – want het woord voor schaduw in het Efik is het enige voor het onzichtbare, onsterfelijke deel van de mens. Toen de missionarissen eens een deel van het terrein gingen schoonmaken, vond de heerser van de stad dat een ernstige misdaad en hij riep uit: u vertelt me steeds dat een mens om zijn ziel moet denken. Waarom stuurt u uw mensen om de struiken om te hakken op de plek waar mijn ziel woont, en stoort u mijn ziel? Laat hen weggaan en val mijn ziel niet meer lastig’ (H. 29).

De huizen.

Ibibio

De Calabar huizen hebben slechts een verdieping en zijn goed geconstrueerd gezien de ontoereikende materialen en goed aangepast aan het klimaat en de toestand van het land. Zij bestaan uit een vierhoekige binnenhof, omgeven door rijen appartementen, die er allen op uitkomen, terwijl één hoofdpoort, bewaakt door een portier, op de straat uitkomt. Er zijn geen ramen, behalve een klein kijkgaatje in de gevelspits aan elke kant. Een ‘aubong’ (inlandse heer) heeft gewoonlijk meerdere van deze binnenplaatsen, die op elkaar uitkomen, voor zijn bedienden, vrouwen en handelsgoederen. Zijn eigen of ontvangstbinnenplaats, bevat gewoonlijk een statievertrek met zijn beste meubilair en versieringen (H. 17).
In andere landen steunen de wanden het dak, hier is dat anders: het dak rust niet op de wanden, maar op een rij sterke palen, die in en buiten het huis staan, en diep in de grond zijn geslagen. De wanden staan daar zes voeten binnen en zijn zeer teer, zoals lat- en pleisterwerk mag worden genoemd; de rechtop staande stokken ervan zijn veilig aan het dak vast gebonden zodat zij niet kunnen omvallen, hoewel zij aan de voet zeer spoedig verrot zijn. De vloer binnen bestaat uit harde aangestampte aarde; de bodem van de piazza rond het huis, zowel binnen als buiten, bevindt zich een voet boven het grondniveau, en maakt het mogelijk droog en tegen de zon en de regen beschermd te wandelen (H. 17). Onder de piazza’s zijn brede zetels van harde klei geconstrueerd, zowel op de plek aan de straatkant als op de audiëntiebinnenplaats en inlandse beschilderingen zijn op de wanden aangebracht (H. 17). Het huis van koning Eyo telde 8 of 9 binnenplaatsen (H. 13)
Elk huis heeft twee appartementen, 1) het buitenste of de keuken en 2) het binnenste, een voorraad- en slaapkamer. De vuurplaatsen zijn netjes en bekwaam geconstrueerd van gebakken klei, goed aangepast aan het beste gebruik van brandstof voor kookdoeleinden; hoog boven hen bevinden zich latten frames, waar de vereiste gereedschappen liggen, en vis en vlees wordt neergelegd om te roken. Het inlandse aardewerk, dat slecht gebakken en niet geglazuurd is, heeft bijzondere aandacht nodig bij het wassen en drogen.

Het oorspronkelijke inlandse meubilair is allersimpelst: 1) een tafel met kruiselingse poten en een paar stoelen, elk gemaakt uit één enkel blok licht zacht hout, zo gevormd dat zij goed draagbaar zijn; 2) potten, kalebassen en brede waaiers; 3) een mat, een kussen en een deken vormen een bed, dat overal voor de nacht kan worden uitgespreid, en ’s morgens weer worden opgerold en weggelegd; 4) kleine kisten van inlands fabricaat met (geïmporteerde hang)sloten zijn universeel want elke persoon heeft er een om zijn kleding en kopergeld te bewaren (H. 17).

Foto: U ziet hiernaast een beeldje van een zittende figuur van de Ibibio, (of dat de Ibibio-Efik zijn uit Old Calabar is mij niet bekend), mogelijk daterend van rond 1890. H 27,5 cm. Hij draagt een zgn. derby hat, een bolhoed, zoals in de 19e eeuw werd gedragen; deze hoed stond in Afrika symbool voor een ‘heer’. Bij andere beeldjes zien we ook vaak een figuur met een hoge hoed om het belang van de aangeduide persoon aan te geven.
Hij zit op een ‘schatkist’, zoals hierboven beschreven om er zijn kleding en kopergeld in te bewaren.
Onder de armen bevinden zich nog sporen van witte verf (Kaolien?), wat er op kan duiden dat sprake is van een overledene, een voorouder.

De ambachten.
De smeden worden hoog geacht. De besten zijn van de Ibo stammen langs de Niger, en zij hebben ook wat verstand van het gieten van messing. Inlands ijzer wordt verkregen uit de Qua bergen en hoger gewaardeerd dan het Engelse ijzer, maar heeft zijn terrein moeten afstaan aan zijn rivaal. De chiefs kopen de Engelse blaasbalg en aambeeld voor hun eigen smeden; andere noodzakelijke gereedschappen ontbreken echter nog; de mannen doen hun werk op hun hurken en hebben alles om zich heen liggen op gelijke hoogte.
De timmerlieden plegen slechts inlandse bijlen te hebben, klein en dik, die veel tijd en werk kosten als men een boom wil vellen, in stukken snijden en in plakken wil splitsen om dan tot planken te snijden. Inmiddels hebben zij Engels gereedschap gekocht en nu leveren zij beter werk.
De wevers gebruiken of gebruikten inlandse niet gesponnen draad, gemaakt van de takken van een palmsoort, en maakten het hele gewaad in één stuk d.w.z. 5 à 6 voet breed; dat was de primitieve inlandse kleding, die om de lendenen werd gewikkeld. Maar de Manchesterstof heeft de ‘graskleding’ op de markt van Calabar verslagen, zij het dat die nog algemeen geproduceerd en gedragen wordt in andere delen van het land. Katoenen stoffen van sterke gesponnen draden vinden hun weg vanuit de landen aan de Niger naar markten waar onze Calabar mensen handel drijven. Het wordt geverfd met inlandse indigo, zowel in de draad als in het kledingstuk, en sommige ervan zijn heel breed geweven, andere in zeer smalle strips die netjes aan elkaar worden genaaid (H. 17).

De handel via het vertrouwenssysteem.

De handel in Calabar verliep volgens dit systeem, waarbij kennelijk de Europese schepen hun goederen beschikbaar stelden aan de inlandse handelaars om handel mee te drijven, en pas later betaling te krijgen (in goederen, palmolie) bijv. voor het schip vertrok of als het schip weer terugkwam. Hierdoor konden er soms flinke schulden ontstaan; soms werden er hardhandige manieren gebruikt om die schuld te innen bijv. voor het schip wegvoer; als men de schuldenaar dan niet kon vinden, grepen de supercarga’s iemand anders, hoe belangrijker die persoon was, hoe beter, om die als gijzelaar te houden tot zijn vrienden hem zouden vrijkopen, want hij werd verantwoordelijk gehouden voor de schuld (H. 29). Als het schip om de een of andere reden nooit meer terug kwam, was men van de schuld af.

Het grote handelsproduct: palmolie.

Calabar mangrovewoud

Dit is het grote en enige product van het land, waarvan er jaarlijks 5.000 à 6.000 ton wordt geëxporteerd. Deze olie wordt op de meest eenvoudige manier gewonnen uit de oliehoudende pulp die om de noot zit. Nadat de noten in potten zijn verhit, wordt de pulp er met de voeten afgewreven in troggen met water. Het oliehoudende plantaardige materiaal, dat blijft drijven, wordt er af geschept en gekookt; de olie komt naar boven drijven en wordt verwijderd, en de rest wordt weggegooid. De noten worden ook terzijde gegooid om in stapels te worden verbrand, hoewel de kern ervan waardevol zou zijn als men er bij zou kunnen komen; de dop is echter zo dik en hard dat weinigen er tijd aan verspillen om die open te krijgen. De olie is van een donker oranje kleur en gewoonlijk te dik om in flessen te gieten, of in goede lampen te gebruiken zonder eerst te zijn gefiltreerd. Als de olie vers is en zorgvuldig gemaakt, smaakt deze naar boter en als het met mate wordt gebruikt in de keuken, is de olie smakelijk en gezond (H.17). 35 vaten olie is ca. 25 ton (H. 14).

De olie wordt per kano uit het binnenland gehaald. Deze handelskano’s worden bemand door slaven, die worden gevoed; zij zijn in bemanningen van 6 à 10 in elke kano, onder een kapitein of supercarga. Hij heeft een opdracht betreffende de handel en kan een klein beetje voor eigen rekening handelen, maar niet in palmolie of zodanig dat hij de belangen van zijn meester verwaarloost. De kano mensen reizen met levensmiddelen, en doen aankopen met Engelse goederen in het binnenland, en verkopen aan de mensen uit de stad, de schepen en de missiehuizen (H. 16). Koning Eyo volgens zijn zoon had vele duizenden slaven en 400 kano’s met een kapitein en een bemanning voor allemaal en zijn uitgebreide handel zou jaarlijks meerdere duizenden vaten omvatten (H. 16).

Oorlogskano’s.
Zo’n boot van koning Eyamba: aan elke kant zaten 15 peddelaars en tussen hen in het midden stond een rij met kortelassen en vuurwapens gewapende mannen; in de boeg wees een groot kanon voorwaarts, waar een man naast stond met een bundel riet dat hij op armlengte afstand bleef schudden om elk gevaar en obstakel uit de weg te ruimen; op de boot van de koning was midscheeps een prachtig geel en rood geverfd huisje gebouwd; waarop twee trommelaars zaten te spelen; verder wapperden er vlaggen; de leider (in dit geval de heerser van Duke Town, voorzien van zijn prachtige zwaard, een geschenk van de Nederlandse regering) stond prachtig gekleed onder zijn grote parasol met zijn lijfwacht direct om hem heen; de edelen van de steden hebben ook dergelijke kano’s die zij bij oorlog beschikbaar stellen voor het land (H. 14).
Sommige kano’s van de koning van Creek Town waren erg groot, 60 à 70 voet lang en 5 à 6 voet breed, gepeddeld door 30 mannen, en ook gewapende mannen bevattend; zij hadden grote kanonnen zowel in de boeg als in de steven en hadden kanonskogels bij zich (H 19).

De Goden en bovennatuurlijke wezens.
De grote God is Abasi Ibum, de vader van alles (H. 23).
Spirituele wezens tussen God en de mens worden Idem genoemd, plaatselijke goden die wonen in bomen, bronnen, rivieren e.d. In het Ibibio land hebben zij priesters en priesteressen. De laatstgenoemden zijn vanaf hun geboorte ingewijd om offers en gebeden aan de Idem te brengen resp. tot hen te richten, en trouwen nooit. De Idems hebben minder macht dan Abasi, maar zijn in sommige gevallen beter af omdat zij meer connecties met de aarde hebben en met aangename dingen (H.32).
Jonge wezens, kinderen, geitjes, witte kuikens e.d. worden soms aan God gewijd en krijgen zijn naam, terwijl zij met gebeden voor het heilige bekken van God worden gebracht. Dat geldt als het brengen van een dankoffer, of wordt gedaan om speciale zegen te krijgen op wat er is gewijd. Toch leren de kinderen nooit enige betuiging van eerbied, of dienst die zij aan God verschuldigd zijn. Als de geit of het pluimvee uit noodzaak moet worden verkocht of gedood, moet er een ander in zijn plaats worden gewijd (H. 32). Commentaar: waarschijnlijk worden hier de Idem bedoeld en niet Abasi, de oppergod.
In het Ibibio land is er ook een jaarlijkse viering voor de nieuwe yams – een feest van de ‘eerste vruchten’ – waarbij offers uit de nieuwe oogst worden gebracht aan Abasi, en aan de Idem; tot dan eten de heren ze nooit, hoewel hun slaven niet waren gehouden deze regel in acht te nemen (H. 32).
Van hen (de Idem) is de Ndem Efik de grootste; en de hogepriester van deze, ‘Aubong Efik’ of eerder vermelde ‘koning van Calabar’ is de grootste man van het land. Beide hebben nu een slechte naam, hoewel het jaarlijkse offer van een mens, die in de rivier wordt geworpen, nog niet helemaal is opgehouden (H. 32). In 1857 brachten de chiefs van Duke Town een albino negerin naar Parrot eiland en offerden haar daar aan de Ndem Efik (H. 31).
Ook elders werden mensenoffers gebracht: 1) Bij bepaalde gelegenheden werd er een mensenoffer gebracht aan de een of andere rivier- of zeegod om de komst van schepen te verhaasten (H. 17); 2). Vissersdorpen bij de monding van de rivier offeren jaarlijks een mens om hun activiteiten rendabeler te maken door vissen in hun netten te brengen; het slachtoffer wordt bij laagwater aan een staak in de rivier vastgebonden en daarna achtergelaten om te worden bedekt door het opkomende getijde of te worden verslonden door alligators (H. 17).
Dierenoffers aan boomgeesten: Op een van de plantages staat een boom, genaamd parando, die men als een juju beschouwt. Elk jaar ging men met een geit en een hoen, yams en bananen daarheen en bad men tot de juju, dat deze hen het hele jaar zou beschermen; daarna doodden zij de dieren, kookten die en aten ze op met de yams en de bananen en dronken daar mimbo 1) bij en gingen weer terug naar huis (H. 17). Zo waren er meer oude bomen de schuilplaatsen van geesten of werden als heilig beschouwd, en de meeste mensen waren bang het land waarop die bomen groeiden, te bewerken; koning Eyo koos dergelijke plaatsen en zorgde ervoor dat het vuur de bomen zou verbranden zonder dat schijnbaar opzettelijk te doen en zo kreeg hij op een gemakkelijke manier maagdelijke grond tot zijn beschikking (H. 17).
1) Mimbo: Dit is een melkachtig uitziende drank, vers getrokken uit een soort palmboom heeft het een aangename smaak en maakt niet dronken (H. 13). Commentaar: dit zal verse, ongegiste palmwijn zijn.

Verdere godsdienstige opvattingen.
Reïncarnatie. De mensen in Calabar geloven dat een kind meermaals geboren kan worden in deze wereld. Als er een kind overlijdt met een bepaald kenmerk op zijn persoon, en er wordt een ander kind geboren met hetzelfde kenmerk, dan zeggen zij dat hetzelfde kind opnieuw is geboren. Een opeenvolging van overlijdensgevallen van kinderen van dezelfde moeder brengt haar er toe het dode lichaam van een van hen te verbranden om de plaag een halt toe te roepen, op aanwijzing van de Abia idiong (H. 19).
Voorouderverering. De mensen van Calabar bidden ook tot hun overleden vader (H.19).
Zuivering; de tweejaarlijkse zuivering. De twee jaarlijkse zuivering van de steden van Calabar van alle duivels en geesten vond plaats op een aangewezen dag vroeg in december. Deze wordt genoemd Ndok. Gedurende enkele dagen van voorbereiding worden er worden er grove figuren van olifanten, koeien, tijgers, alligators en andere dieren gemaakt van stokken en gras, bedekt met stof, die Nabikim worden genoemd, en voor elke deur geplaatst. De reden werd ons niet verteld; misschien was hun oorspronkelijke ontwerp onbekend aan degenen die de gewoonte voortzetten. Misschien zijn zij ontworpen om de dieren voor te stellen, waarmee de geesten van de overleden familieleden geallieerd waren; want er bestaat een duister en vreemd geloof dat de zielen of levens van bepaalde personen verbonden zijn met het leven van bepaalde dieren, zodat wat de een overkomt de ander beïnvloedt. Bijv. een jongeman zei, toen hij zijn geweer tegen zijn schouder had gezet om op een geweldig grote alligator te schieten, dat misschien de ziel van zo iemand daarin was. Wat ook de oorsprong of het gebruik van de nabikim, uiteindelijk zijn zij gedoemd de rivier in te gaan als de Ndok is uitgevoerd.
Op de ochtend van de vreemde ceremonie begon om drie uur iedere man en vrouw op de deur te slaan. Het leek wel of een storm in haar loop het woud vernietigde, of een vloot van schepen op zee overweldigde, en het geschreeuw van duizenden verdrinkende mensen zich vermengde met het gebrul van de wind en het water. Het leek wel of de stad werd bestormd door een vijand. Overal was het ratelen en flitsen van musketvuur; en van tijd tot tijd donderden de kanonnen op het strand; duizenden stemmen schreeuwden en huilden; de grote bel van de koning klonk voortdurend en elk erf galmde van het vreselijke lawaai van grote stokken, die de deuren bewerkten, net als de botsing van wapens met elkaar tijdens de veldslag.
Al deze herrie was bedoeld om de ‘duivel’ de stad uit te jagen en was genoeg om iedereen angst aan te jagen behalve de duivel. De koeien, die gewoonlijk rustig op het marktplein sliepen werden bijna gek, en galoppeerden heen en weer door de straten, hun kop recht en hun staart in de lucht, niet wetend waar heen te gaan. Bij de dageraad waren alle huizen grondig geveegd van het dak tot de vloer, en het opgeveegde vuil, oude vuren en nabikim, naar de rivier gebracht. Daarna werden de geesten en duivels geacht naar de schaduwen te zijn vertrokken.
Er waren soms echte uitbarstingen van verdriet bij deze gelegenheden; bij de gedachte aan overleden familieleden, die zo verjaagd werden – hartbrekende, hartstochtelijke weeklachten. De kracht van het voorbeeld en de sympathie was zodanig dat slaven van ver weg, niemand wist waar vandaan, schreeuwden als de mensen uit Calabar zelf (H. 19).
Commentaar: dit gebeuren moet slaan op het wegjagen van de zielen van de in de afgelopen twee jaar overleden mensen, naar het hiernamaals, zoals we ook wel bij andere volkeren tegenkomen; ze moeten nu echt vertrekken naar het rijk der Schaduwen (Obio Ekpu).

Magie en hekserij.
Juju. Dit woord werd daar gebracht van een ander deel van de kust, en door de inlanders aanvaard als de door blanken gegeven naam aan gewijde objecten Hun eigen term is eigenlijk ebok, medicijn, of middel om bovennatuurlijke hulp te krijgen. Deze tovermiddelen worden gebruikt om te herstellen van ziekte, voor succes in de handel, het beschermen van een huis tegen vuur, of tegen een andere vloek die kan zijn veroorzaakt door hekserij (ifod). Verschillende dingen kunnen voor dat doel worden gebruikt, mensenschedels, koppen van herten, geiten of alligators, het landschildpad opgehangen in een heilige struik op het erf, of een jong kuiken. Een banaan, een ei en een kuiken, de laatste vastgepind aan de aarde, zijn veel te zien op kruispunten om de betovering te verbreken, die een ziekte heeft veroorzaakt, of om enige gevreesd onheil af te wenden (H. 14). Bij vrijwel alle huizen vindt men enkele mensenschedels in de deuropening op de grond liggen; die zijn van gedode vijanden en zouden de vijanden buitenshuis houden. Bij een huis woonde boven de toegang een zwerm grote zwarte wespen, die ook het huis zou beschermen (H. 13).
Ekpenyong, een stok met daarop een mensenschedel, versierd met veren, en geverfd met gele verf, was een juju van de huishouding; deze werd geacht degenen die hem bezaten goed te kunnen doen. Hij werd gemaakt door de abia-ebok, of medicijnman.
Eind 1848 werd dit object, een soort universeel huishoudelijk idool, in Creek Town volledig opgegeven. Zij werden tijdens de Ndok, de tweejaarlijkse zuiveringsdag, naar de rivier gebracht, en daarin geslingerd, en men zag ze stroomafwaarts drijven of op de modderige oevers zien liggen. Toen het tumult ophield, bij zonsopgang, trok een groep Egbo renners en aanhangers door de stad om het zuiveringswerk in elk huis af te ronden en de storing bleef duren tot na 10 uur ’s morgens. In plaats van enkele van naar huis te zenden als specimens van Calabar goden, als bewijs van de triomf van het Evangelie, gaven de zendelingen er de voorkeur aan ze in het openbaar te onteren of kapot te hakken tot brandhout als het enige waar zij geschikt voor waren. Om de zuivering te completeren werden de schedels en gebedsbekkens met oud water tegelijk ook verwijderd van sommige erven en niet meer gezien (H. 20).
De Abia-ebok of inlandse medicijnman, en de Abiong-Idiong (Commentaar: waarschijnlijk de waarzegger). Als iemand in zijn lichaam, familie of bezit wordt getroffen, doet hij een beroep op de Abia-ebok om hem te genezen of het kwaad te verwijderen. Als dat niet lukt, gaat hij naar de Abiong-Idiong om de oorzaak te vinden, die deze terugleidt naar hekserij, naar een bepaalde persoon, een heks, die tevergeefs zijn onschuld betuigt; hij kan zijn onschuld alleen aantonen via het giforakel (H. 14).
Het giforakel. Hiervoor gebruikt men donkergekleurde zaden, grote giftige bonen, genaamd esére, die fijngemalen worden op een steen en in water gedaan dat de beschuldigde moet drinken vooral als sprake is van hekserij (ifod). Gaat hij dood dan is hij schuldig, zo niet dan is hij onschuldig. Het giforakel wordt vooral gebruikt bij beschuldigingen van hekserij.
Het privé gebruik van de esére of gifboon, was verboden en het juridisch gebruik was een recht van de Egbo autoriteiten; het was in handen geplaatst van de openbare justitie (H. 25).
Mbiam eed. Mbiam is een heilig mengsel, bewaard in een inlandse stenen pot, dat mensen drinken als zij een eed afleggen. Het zou degenen die een valse eed aflegden vernietigen (H. 19). Men zwoer altijd deze eed.

Het Egbo genootschap.
Yampy Egbo is een geheim mannen genootschap, dat in alle drie de steden bestaat. Het staat onder de bescherming van een bovennatuurlijk wezen van die naam, dat in de wildernis leeft. Egbo bestond bij een stam langs de kust naar Kameroen, maar werd verbeterd en uitgebreid naar zijn nieuwe werkterrein. Het moest eenheid brengen in Old Calabar. Het genootschap heeft 10 takken van verschillende ere- en machtsgraden, waarin men zich voor steeds hogere sommen kan inkopen, sommige laag genoeg voor jongens en slaven om te kopen als een soort initiatie, andere zo hoog dat slechts vrije mannen uit een oude familie ze zich kunnen verschaffen. Dat entreegeld moet aan elk bestaand lid worden betaald en beloopt in zijn geheel bijna 100 pond omdat er ca. 1.000 leden zijn. Van haar mysteries mag men geen getuige zijn, tenzij men geïnitieerd is. Ze mogen niet openbaar worden gemaakt op straffe van de dood (H. 16). Egbo vaardigt wetten uit en zorgt voor de naleving door ook als rechter op te treden en als beul. Vrijen, die te arm zijn om de Egbo graden te kopen moeten, als hen onrecht is aangedaan, een Egbo heer huren om hun zaak voor een Egbo hof te brengen; soms geven dergelijke personen er de voorkeur aan zich te verkopen als slaaf aan een machtige chief om diens bescherming te krijgen ten koste van hun vrijheid (H. 16). De beide koningen in Creek Town en Duke Town en de chief van Old Town worden binnen Egbo niet als koningen resp. opperchief erkend, maar louter als hoge officieren binnen hun tak van Egbo, zij het wel als belangrijke mensen met veel invloed omdat zij een speciale relatie hebben met de Europese handelaars (H. 16). Koning Eyo had meerdere Egbo eerbewijzen gekocht, waardoor hij deze kon doorverkopen of verlenen aan een ander, en hij meerdere stemmen in de Egbo raad had (evenzoveel als hij patenten gekocht had); op die manier investeerde hij een deel van zijn rijkdom en probeerde hij de regering van het land in handen te krijgen (H. 31).
Als Egbo op straat is mogen niet-geïnitieerden (voornamelijk slaven, vrouwen en kinderen) zich daar niet bevinden (H. 13). De laatste dag van de achtdaagse Calabar week is gewijd aan Yampy Egbo; de niet-geïnitieerden mogen dan niet op straat komen of van binnen uit toekijken tot ’s middags, tot de grote bel van de koning wordt geluid om aan te geven dat ‘Egbo gedaan’ was en de mensen weer aan het werk of naar de markt konden gaan. Egbo renners rennen in de spertijd door de straten, van hoofd tot voeten gekleed in een zeer bijzondere kleding, gemaskerd, en met een lange zweep in de hand. Maar ‘s avonds houden de Egbo’s een groot feest in het Palaverhuis; er werd verteld: ‘Egbo mannen eten veel en drinken een grote hoeveelheid rum en maken nu plezier (H.13).
Enkele Egbo ceremonieën:
1) Ter gelegenheid van de aankoop van de rechten op het Egbo genootschap door vreemden uit een ver land, die daar ook Egbo wilden introduceren en dus de stichters werden van een nieuwe tak. Dit was het equivalent van het aangaan van een confederatie, waarvan Calabar aan het hoofd stond. Er was een openbare voorstelling, waarbij zelfs de vrouwen aanwezig mochten zijn, die normaliter zelfs niet de naam van Egbo mogen uitspreken, omdat die te heilig is voor hun lippen. Egbo hardlopers, vermomd met zwarte maskers en wilde kleding van droog gras en schaapshuiden, schuimden de straten af in alle richtingen, hanteerden echter slechts een lange roede in plaats van de verschrikkelijke zweep van een koeienhuid, en dat zonder iemand te slaan. Zij hielden het midden van de straat en de bevolking aan de beide kanten ervan. Toen kwamen er twee anderen zonder masker uit het Palaverhuis, die echter zeer vrolijk bedekt waren met zijden kleding, en een immense tulband op hun hoofd en lange, deels gekleurde veren. Elk van hen hield een lange smalle Egbo trommel in zijn handen op armlengte afstand en terwijl zij heen en weer sprongen rond het Palaverhuis, wezen zij daarbij betekenisvol naar elke straat. De mensen juichten hen toe, daarbij met hun vingers op hun lippen tikkend. Na hen renden twee anderen, die soortgelijk gekleed waren, met pijlen en bogen en immense staart aanhangsels van zijde en linten rond. Deze bewogen zij snel van de ene kant naar de andere terwijl zij renden en draaiden, en ongeacht in welke richting zij met hun pijlen en bogen wezen, de mensen drukten hun vreugde en bewondering uit, met het slaan op de mond op de pulserende manier, die we al hebben beschreven. Toen verscheen er een groep musici, maar trommels en ratels geven geen gelegenheid voor een grote verscheidenheid van zoete geluiden, en de enige aanvulling was die van kleine witte belletjes, die een man met honderden om zijn been had gewikkeld en steeds liet klinken door onophoudelijk te stampen.
Dit was slechts een prelude voor de grote Egbo trommel, die, diep en sonoor, zijn mysterieuze geluiden liet horen. Deze varieerden in aantal en kracht en terwijl zij varieerden maakte de oom van de koning met luide stem bepaalde vreesaanjagende geluiden. Al die tijd bleven de vliegende squadrons van hansworsten hun excentrieke bewegingen maken door de straat, in en uit het Palaver Huis. Nadat zij waren teruggegaan en er sprake was van een kleine onderbreking in de operaties buiten, kwam er een plechtige optocht tevoorschijn; voorop wandelden de schaapshuiden met maskers, dan de trommels en veren, na hen de pijlen en bogen met staarten, gevolgd door de koning en de musici, en tenslotte Egbo zelf, verborgen, zoals het een bovennatuurlijk wezen past, in een ark, bedekt met prachtige kleding en gedragen op de schouders van belangrijke mannen. Er vandaan kwamen voortdurend diepe bastonen van het trompetsoort. Alle leden van de orde volgden om hem vrij te laten in de dichte wildernis, waar, naar de niet geïnitieerden moeten geloven, hij woont en alleen geïnitieerden hem heen durven te volgen om in het geheim door te dringen (H. 13).
2) Dit was ten tijde van de rouwceremonieën ter gelegenheid van de oom van koning Eyo. Men zei dat Egbo was ontsnapt en met moeite was teruggehaald. Groot was de verwarring in het naburige dorp, toen het mysterieuze wezen werd gezocht bijna tot het aanbreken van de dag; want als hij niet zou worden gevonden zou iedereen daar ter dood worden gebracht, opdat profane ogen hem niet zouden zien. Spoedig kwamen twee Egbo renners in hun harlekijn kostuum de stad binnen om de straten te doen ontruimen. Hun bellen, die aan hun middel hingen, gaven kennis van hun nadering, en hun lange zwepen zorgden ervoor dat de mensen langs de kant van de straten bleven. Toen naderde er een persoon alleen, curieus gekleed en kennelijk besprenkeld met as, met langzame en plechtige stappen voor het Palaver Huis, waar hij met zijn hoofd boog, leunend op een lange staf, en peinzend rond en rond liep, terwijl hij in zichzelf mompelde en de mensen om zich heen negeerde, net als een kluizenaar uit de wildernis, of iemand die in gedachten is verzonken omdat hij rouwt over een verloren vriend. Spoedig verschenen er twee anderen, gewikkeld in bonte kleding en bekroond met bloemen en paradeerden zo trots als hanen door de stad. Deze karakters werden begroet met kreten door het gepeupel, die zij dienden als amusement, terwijl zij de verwachting levend hielden aan wat er verder nog aan nieuw en indrukwekkende dingen zouden volgen.
Tenslotte kwam de optocht in het zicht, vooraf gegaan door de koning in zijn ambtskledij, terwijl hij de grote stok droeg die helemaal was verzilverd en versierd met wapperende linten. De stoet trok verder tot het marktplein, waar een immense vlaggenmast stond, die voor de gelegenheid was opgericht en 60 à 70 voet hoog was, waaraan in grote vouwen tot op de grond een immense vlag hing, geel en rood, die prachtig boven de stad zou hebben gewapperd als daar wind genoeg voor was geweest.
De koning hield een proclamatie, waar met korte tussenpozen op werd gereageerd door de diepe tonen van de Egbo trommel. Toen dit gebeurd was begonnen er zes mannen, gekleed in de hoogste Egbo stijl voor hem te dansen. Wat een dans: ’de Horlepijp en sprongetjes, brede sprongen en wervelingen waren er niets bij’. Zij renden en sprongen, huppelden en maakten capriolen op en neer, rond en rond, nu eens snel dan weer langzaam, soms plotseling stoppend om te buigen en te schuren, en dan weer opspringend en wegvliegend. Toen dat afgelopen was ging de optocht verder naar het Palaver Huis en vormde een kleine halve cirkel er voor. Daar binnen werd Egbo gehoord, en de bevoorrechten gingen naar binnen.
De zondag daarna was het ‘Grote Messing Egbo dag’, waarop alleen enkele belangrijke heren buitenshuis mochten komen. Koning Eyo ging heel vroeg over het water om Egbo uit de wildernis mee te brengen en om 8 uur dreven er drie kano’s vlak bij elkaar, allen bedekt met palmen, uit een kleine kreek uit het mangrove moeras en zonder zeil of peddel of dat er iemand verscheen, behalve een vermomde Egbo man, in de boeg van de middelste kano, die met zijn hand zwaaide, naderden zij langzaam de landingsplaats. De hele dag was de stad perfect stil en verlaten; geen mens was er in de straten te zien en geen stem te horen, tot de nacht viel, toen het afschuwelijke geluid van gehuil en getrommel weer begon en voortduurde tot de ochtend om slechts te worden vervangen door vele volleys musketvuur (H. 18).
3) Een andere opvoering (in het kader van de rouwceremonieën voor de oom van de koning) was die van Egbo Bunko, een volledig geklede Egbo. Vader Tom als chief van die tak van de broederschap, wordt koning Bunko genoemd. Het is openbaar, ornamentaal en zeer aantrekkelijk voor de jonge heren. Tien of twaalf van de beste mannen uit de stad, volledig en zelfs uitgebreid gekleed en vermomd, voerden een dans uit die afweek van alles wat ik tot nu toe heb gezien. Koning Eyo mengde zich onder hen, gemaskerd als een van de uitvoerenden, maar werd door hen die ingewijd waren in het geheim, herkend. Alle anderen droegen staven met een zilveren knop en bosjes bloemen of linten; hij zijn wandelstok met een gouden knop en witte veren. Niettegenstaande zijn gebruikelijke ernst en decorum en intense toewijding aan zaken doen, speelde hij zijn rol heel goed. Tijdens de uitvoering kwam hij naar de zendeling toe en vereerde die met enkele figuren en een lage boog, zonder zich echter bloot te geven of te wensen ontdekt te worden (H. 18).
4) De afkondiging in 1850 van de Egbo wet tegen het brengen van mensenoffers bij overlijden. Dit ging in Duke Town via een processie van Creek Town Egbo’s en de dag daarna in Creek Town door Duke Town Egbo’s. Zo werden de twee steden de behoeders van elkaar en stonden garant voor het nakomen van de wet. Old Town werd er pas later bij betrokken(H.21).
5) ‘Egbo blazen’ over bepaalde dorpen of steden als dwangmiddel, d.w.z. zij kwamen dan onder de ‘Egbo ban’. Ze werden dan verstoten; ze zouden dan zijn afgesneden van alle mogelijke handel en vriendschap, en zouden nooit hun eigen grenzen mogen overschrijden voor wat dan ook, want dan zouden zij als vijanden worden behandeld en worden beroofd van alles wat zij bezaten; op hun markten zou niets meer te koop zijn; die zouden ook niet meer bezocht worden door mensen uit andere steden; zij konden andere markten niet bezoeken (H. 23).
6) Egbo straffen. Die kon een vrije man afkopen door een of meer (waardeloze) slaven te kopen en in zijn plaats te doen stellen; die werd/werden dan in zijn plaats gedood (H.26).
De straffen konden zijn in oplopende zwaarte, bijv. een boete, veelal in slaven; 50 zweepslagen in het openbaar (zij het dat niet geïnitieerden, zoals vrouwen en kinderen er niet bij mochten zijn), waarbij het slachtoffer werd vastgebonden aan de vlaggenstok op de markt, en door de Egbo beul werd geslagen met een lang, sterk en buigzaam stuk leer, gesneden uit een koeienhuid (H. 26). Maar ook: het afsnijden van het hoofd op het marktplein; het lichaam liet men liggen voor de roofdieren en het hoofd werd aan de chiefs van Creek Town en Duke Town getoond (H. 22). Hiervan kon men een ‘spektakel’ maken zoals gebeurde bij een jonge vrouw: toen kwamen de Egbo’s met veel mensen, vermomd zoals gebruikelijk, waarbij er sommige met zwepen en Calabar zwaarden zwaaiden, en, na door de stad te zijn getrokken met het geluid van bellen en trommels, dreven zij het (vrouwelijke) slachtoffer voor hen uit naar de plaats van de executie; zij lieten haar daar op de grond gaan zitten en dansten om haar heen, maakten allerlei sprongen en capriolen, lieten hun bellen ondertussen klinken, en sloegen op hun trommels, en zwaaiden hun zwaard boven haar hoofd, of raakten, terwijl zij haar passeerden, zo nu en dan de achterkant van haar nek aan met de koude rand, om haar te doen gillen en huiveren; tenslotte werd op een signaal de dodelijke slag gegeven door iemand, gevolgd door een andere; en het bloedende hoofd rolde in het zand; zij droegen het triomfantelijk door de stad, en het werd op elk erf tentoongesteld als waarschuwing, en tenslotte naar de rivier gebracht om ook in andere steden te worden tentoongesteld (H. 30).
Of: er kwam een oud en excentriek Egbo wezen tevoorschijn, die een bepaald soort misdadigers ter dood brengt met duivelse wreedheid, waarbij het slachtoffer aan een boom in het bos wordt vastgebonden en dan zijn onderkaak eraf wordt gesneden, waarna men het slachtoffer laat hangen tot hij dood gaat en door de wilde dieren wordt opgevreten (H. 24).

Voor een aantal foto’s in situ van het Ekpe(Egbo) genootschap, genomen door G.I. Jones in de jaren 1930, zie de foto’s 5 t/m 14 onder Ekpe masquerades op de webside.

De voorbereiding op en het huwelijk, polygamie en concubinaat; het verstoten van een vrouw.
Het dikmaakproces. Jonge meisjes worden voor zij trouwen vet gemest, want de norm voor de vrouwelijke schoonheid is hier: groot en breed/vlezig. Toen een meisje, tweemaal zo zwaar als zij oorspronkelijk was, uit dit proces kwam werd zij gevolgd door een groep meisjes. Zij was gekleed op de Calabar manier d.w.z. met meer sieraden dan kleding, met ladingen kralen van verschillende kleuren om haar hals, middel en armen en een dwazenmuts met bellen op haar hoofd en liep met langzame en zwoegende passen op hun tinkelende muziek (H.13).
Het huwelijk. De echtgenotes van een man zijn de vrouwen, die hem in zijn jeugd zijn geschonken door zijn ouders, en geaccepteerd met enig ceremonieel toen zij de passende leeftijd hadden bereikt; verder omvat dit huwelijk geen formele of bindende afspraken, hoewel men weet dat de vrouw hem gehoorzaamheid en trouw is verschuldigd, en het zijn taak is haar te steunen en te beschermen; deze vrouwen zijn volledig afhankelijk van hun man, en dat verplicht hen tot levenslang goed gedrag, terwijl het hem in alle opzichten vrij staat te doen wat hij wil. Een chief houdt zijn vrouwen in strikte afzondering, laat hen soms niet werken, al naar de rang van beide partijen, en het is de plicht van de dames om beurtelings, elk gedurende een week, te zorgen voor het klaarmaken van zijn eten. Vrouwen, zelfs als ze onvruchtbaar zijn, zoals gewoonlijk het geval is, behouden hun positie, appartementen en toelages zolang zij zich goed gedragen en hun wekelijkse beurt om hem te verzorgen, goed doen, maar zij krijgen weinig aandacht van hem, en ondergaan de pijn te moeten aanzien hoe zij geleidelijk aan worden verdrongen door het toenemende aantal rivalen; zij kunnen terzijde worden geschoven, of zelfs gedood, om bepaalde redenen, waarvan hij de enige rechter is; maar zij kunnen hem ook verlaten, als hun familieleden hen willen en kunnen opnemen, mits zij niets meenemen, De concubines zijn de dames die jong zijn, zijn eigen keuze, en die voortdurend bij hem zijn als bedienend personeel; zij ontvangen het grootste deel van zijn gunsten; als deze concubines moeder worden, gelden zij als zijn vrouwen, en zijn, met hun kinderen, vrij; als zij geen kinderen krijgen worden zij spoedig aan de kant gezet om ruimte te maken voor anderen (Appendix).
De echtgenotes van de hoge heren. Die mogen zich niet zonder toestemming van hun heer op straat begeven, want hun gezicht en stem mogen door derden niet worden gehoord. Toen een van de vrouwen van koning Eyo dat toch deed en ruzie maakte met een brutaal meisje, onteerde zij in feite haar man, en werd zij door deze niet meer in huis gelaten en voor altijd weggestuurd, zij werd een paria, die nergens hulp kon vinden, waarbij ze dan nog van geluk mocht spreken dat zij niet was gedood (want een echtgenoot of slavenmeester mag zijn vrouw, of slaaf doden als hij dat nodig vindt, hij beschikt over leven en dood) (H. 24).
De dames met de enkelbanden. Een groep meisjes passeerde gewoonlijk elke dag, met aarden kruiken op hun hoofd, op weg naar de bron om water te halen. Terwijl hun kleding schandelijk schaars was, droegen sommigen van hen een overvloed aan sieraden, in het bijzonder grote messing ringen aan hun enkels. Gevraagd wie zij waren, en waarom zij zulke zware beensieraden droegen was het antwoord: ‘zij zijn edelvrouwen. Als een man hen ontmoet, en de hand op hen wil leggen, dan zal hij, als hij de messing ringen ziet, bang worden’ (H. 13).
Een Huwelijksoptocht. De man was een van de belangrijkste handelaars van de koning, en de vrouw was een geschenk van zijn meester. Ze werd in statie naar het oude marktplein gebracht om zich volgens de gewoonte aan het publiek te vertonen. Hij mengde zich tussen de menigte om de show te zien, net als elk ander, en schonk haar geen aandacht. Het feit was dat hij haar niet wilde, maar haar niet kon weigeren. Hij had al genoeg vrouwen, die hij zelf had gekozen en vond deze een te grote eer. De optocht bewoog zich langzaam uit de stad, voorafgegaan door een vlag en een groep trommels bijgestaan door een lange tinnen trompet. De dame was geschikt, in elk geval door haar omvang, om de bewondering te wekken. Op haar hoofd had zij een grote hoeveelheid vals haar, dat over haar nek en schouders viel in lange krulletjes, en daarboven bevond zich een goed gepolijst messing ornament als een kroon. Talrijke strengen blauwe, rode en gele kralen, smaakvol gerangschikt, omcirkelden haar welgedane gestalte. Haar kleding was in heldere kleuren, maar te schaars om veel over te zeggen. Boven haar was een parasol, gedragen door een van haar vrouwelijke bediendes, en met neergeslagen ogen en zware stappen liep ze langzaam verder, haar benen vol messing roedes. Een groep vrouwen volgde, zij klapten in hun handen en zongen lofliederen over haar. Door de menigte op de markt, die zich voor haar opende, liep zij naar een stoel, bedekt met kledingstof waar veel of alle vrouwen haar hun respect kwamen betuigen en om haar heen dansten. Tenslotte stond ze zelf op om te gaan dansen; maar wat voor een dans! Zachter dan een menuet. Ze gleed enkel binnen een beperkte ruimte, niet in staat haar voeten op te beuren door het gewicht dat er aan hing; terwijl de trommels en de hoorn en de vlag hun uiterste best deden om haar aan te moedigen. Al deze tijd bleef de bruidegom in de menigte, volstrekt onverschillig, en liet haar naar de stad teruggaan zoals ze was gekomen, onopgemerkt door hem. (H 19).
Verstoten van een vrouw. Een man die zijn vrouw verstoot, wrijft haar armen in met kalk en gooit haar uit zijn harem, om bij zijn personeel te gaan wonen, alsof ze een slaaf was, of, als ze vrij is, om naar het huis van haar eigen mensen terug te keren. Ze kan echter haar oude plaats terugkrijgen, als de meester vergevensgezind is, en ze kan een bemiddelaar inschakelen, in welk geval ze om vergeving vraagt en zijn armen inwrijft met kalk. Het moet een groot stuk zijn, en brede strepen trekken, om haar ernst te tonen, om hem het te doen accepteren (H. 32).
Het onterven van een zoon kent een soortgelijke procedure: Een vader onterft zijn zoon door palmolie op diens armen te wrijven. De zoon kan weer in genade worden aangenomen, door olie op de armen van zijn vader te wrijven en een geit en eieren mee te brengen voor een feest (H. 32).

Overlijden.
De ceremonieën hier zijn uitgebreid en langdurig; zij kunnen een week duren, maar ook meerdere weken (H. 18). Aanvankelijk gingen de ceremonieën gepaard met het doden van veel slaven en echtgenotes (om hun heer naar het hiernamaals te begeleiden, zodat hij daar niet eenzaam en onverzorgd als een bedelaar zou aankomen). Ook was er vrijwel nooit sprake van een natuurlijke dood en was de dood aan hekserij te wijten; de heksen zocht men via het giforakel, en dat kostte weer velen, die de proef niet doorstonden, het leven.
In 1850 kwam er een Egbo wet tot stand om deze dodenoffers te verbieden en geleidelijk aan is er daarna kennelijk aan deze gewoonte een eind gekomen.
Enkele beschrijvingen of notities over overlijdensgevallen van belangrijke personen.
1) De eerste vrouw van de heersers van Duke Town was overleden. Er klonken toen geweerschoten en kanonschoten en er werden vlaggen (halfstok) op de voornaamste huizen gehesen. De koning zond mensen naar zijn boerderijen buiten de stad om (mannelijke en vrouwelijke) slaven te gaan halen, om die voor haar te offeren; men bracht er maar vier mee omdat de rest tijdig was gevlucht.
2) Het overlijden van iemand leidde ook op een andere manier nog tot doden, want de dood is vrijwel nooit natuurlijk, maar veroorzaakt door hekserij; allerlei mensen uit de omgeving van de overledene worden van hekserij beschuldigd en moeten de gifproef ondergaan en hierbij vallen nogmaals veel doden, de ontdekte heksen. Na de dood van koning Duke Efraïm in 1834 liet men bijna 50 mensen de proef doen, waarvan er 40 stierven.
3) De begrafenis in oktober 1847 van Tom Honesty, de oom van de koning in Creek Town vond pas zo’n 4 maanden na zijn dood plaats, nadat eerst de noodzakelijke lijkstatie was uitgevoerd. De ceremonieën duurden een volle week: eerst was er ’s morgens om 4 uur op afkondiging van de koning een luid geween en geweeklaag bij elke familie in de stad, alsof zij allemaal een dode te betreuren hadden en er werden trommels geslagen en de kanonnen werden afgevuurd dit duurde tot 10 uur. Toen kwam er een grote Egbo processie vanuit het Palaverhuis naar de woning van de overledene, voorafgegaan door de koning en diens broers; Egbo functionarissen volgden hen, gekleed in zijde, stroken en veren, met messing trommels, bogen en pijlen en andere emblemen van hun functie, waarbij allen met langzame plechtige stappen liepen en een mysterieus gemompel zoals past bij een begrafenisceremonie. In de volgende dagen gingen de ceremonieën verder en kwamen veel vreemdelingen hun respect betuigen; het weeklagen duurde de hele week dag en nacht, afgewisseld door professionele schreeuwers met kreten en andere vreemde geluiden om het effect te vergroten. Er werd gefeest en gedronken; de verspilling was excessief (H. 18 ).
4) Voor de begrafenis van koning Eyamba van Duke Town in 1847 werd er in een huis een grote put gegraven, breed en diep, en aan een kant daarvan werd er een kamer uitgegraven, waarin twee sofa’s werden geplaatst. Hierop werd het lichaam gelegd, gekleed in zijn ornamenten, en een kroon op zijn hoofd; daarna werden zijn paraplu-, zwaard- en snuifdoosdragers en alle andere persoonlijke bedienden plotseling gedood en met de insignia van hun functie er in gegooid; daarna ook levende maagden; grote hoeveelheden voedsel en handelsgoederen werden er aan toegevoegd. Daarna werd de put gevuld en de grond vastgeslagen en aangestampt opdat er geen spoor van het graf zou blijven, opdat het niet werd geschonden, hetzij door wraakmotieven of hebzucht. Zulke maatregelen werden steeds getroffen om de graven van de adel te verbergen. Van de vele vrouwen van Eyamba werden er op de eerste dag al 30 gedood en hoeveel er via het gifoordeel, op de beschuldiging van hekserij tegen zijn leven, zijn gedood, kwamen we nooit te weten. Degenen die de eer hadden hem te vergezellen naar Obio Ekpu, het Geestenland, werden achtereenvolgens opgeroepen met het bericht, eens een eer, nu een grote schrik, ‘de koning roept u’. De gedoemde maakte zich snel mooi, dronk een kruik rum, en volgde de bode naar de beulen, die haar wurgden met een zijden handdoek. Het doden ging dagen door; sommige slachtoffers werden geboeid in kano’s meegenomen en opzettelijk verdronken of op het hoofd geslagen, waarna ze in de rivier tuimelden. Lijken en rompen zag men dagelijks in de rivier, met het getijde mee bewegen. Gewapende schurken zaten in de wildernis bij de paden om wie zij konden neer te schieten of dood te snijden, jong of oud, man of vrouw. Over de slachtingen, die op de boerderijen plaats vonden kwamen we maar weinig te weten. Gedurende meerdere weken heerste er een schrikbewind (H. 18).
Weduwen. Weduwen die rouwen voor hun overleden man moeten bevuild of onder de as, op de grond gaan zitten; zij mogen niet op een stoel of zetel gaan zitten (H. 32).
Weduwen moeten door Egbo met de zweep worden geslagen, min of meer, alsof zij dat verdiend hebben, en hen worden ook boetes opgelegd, die zij aan Egbo moeten betalen, en zij moeten hun kleding laten scheuren, hun gezicht laten bevuilen en huishoudelijk artikelen laten breken. Een klein pak slaag stellen zij wel op prijs als het afhandelen van oude rekeningen, en bevrijdt hen van angst voor de toekomst. Een slechte vrouw laat haar fouten door de hele stad bekend maken door mensen die ze door de straten omroepen. Dit wordt terecht gezien als een grote schande, iets wat men zorgvuldig moet vermijden (H. 32).
Vrouwendans. Het was de dag voor de dames om te paraderen bij de rouw ceremonieën voor de oom van de koning. Het plein was vol met dames, en de belangrijke ambachtslieden waren druk bezig met het maken en passend maken van messing beenringen voor het optreden van de dames van die avond. Deze beenringen bestaan uit messing roeden, net als traproeden, die tot een geheel zijn gemaakt en spiraalvormig om hun benen worden gewikkeld van de enkels tot de knieën, en elk meerdere ponden moeten wegen. De oudste dochter van koning Eyo, ‘de grootste dame in het land’ werkte hierbij uit alle macht aan de blaasbalgen.
’s Avonds vormden 100 à 200 ‘grote’ vrouwen een immense kring op het marktplein, elk bijgestaan door een meisje, dat een vrolijk gekleurde parasol boven haar hoofd hield. Zij hadden tal van kettingen van heldere kralen om hun armen, hals en middel en gekruist over hun schouders en boezem, die sterk contrasteerden met hun donkere huid. Hun kleding was wat betreft de hoeveelheid niet meer dan anders, maar beter van kwaliteit dan gewoonlijk, want normaliter sloeg men weinig acht op de kleding; hun personeel schoot in dat opzicht flink te kort; maar omdat zij er aan gewend waren, viel het gebrek hen niet op. Zij hadden wat gebruikelijk was en voelden geen schaamte.
Binnen de cirkel bewogen zich drie groepen dames in een snel marstempo; elkaar ontmoetend, passerend, zich terugtrekkend, volgend, op de muziek van trommels en bellen. Zij droegen merkwaardig gevormde witte figuren op hun hoofd, sommige met twee gezichten en vier armen, in een hurkende houding. Terwijl zij zo bezig waren, draaide de hele cirkel langzaam om haar as, waarbij de dames voortdurend met kleine pasjes naar rechts gingen, waardoor de schoonheden achtereenvolgens allen langs het omringende publiek kwamen.
Koning Eyo en Camaroons waren de enige mannen die het voorrecht hadden deel te mogen nemen aan die uitvoering. Het moet een grote vreugde zijn geweest voor de ‘arme’ edelvrouwen’ van de harem om bevrijd te worden van hun opsluiting en zich en hun sieraden, al was het dan maar voor één dag, te mogen tonen als onderdeel van de begrafenisplechtigheden van het moment (H. 18).

Tweelingenmoord.
Als er een tweeling werd geboren, was dat een verschrikkelijk iets, de tweeling werd gedood en in de wildernis geworpen en hun moeders werden uit de stad gezet. In 1851 streden de missionarissen hier nog tevergeefs tegen, waarbij het grootste verzet kwam uit de hoek van de vrouwen zelf, de matrones, of douarières van vooraanstaande families, die door hun status van weduwen vrijheid en onafhankelijkheid hadden verworven, en invloed op hun kinderen; zij spraken zich er tegen uit; een compromisvoorstel was de moeders en de kinderen een eigen dorp buiten de stad te geven, maar ook dat werd niet geaccepteerd; maar nog voor we een jaar verder waren, had de zaak zoveel voortgang gemaakt, dat er moeders en tweelingen woonden in de Missie huizen, zowel in Old Town als in Creek Town (H. 25). Toen er in 1852 in Old Town een tweeling werd geboren, wilde hun radeloze moeder hen doden, maar de moeder en kinderen werden naar de missie gebracht. De oude chief en zijn mensen waren razend, want zij vreesden voor de vernietiging van hun stad door de wraak van hun god Anansa. Er werd toen Egbo geblazen over het missiehuis en niemand mocht daar meer heen gaan (maar dat verbod sorteerde weinig effect). Enkele weken later werd er in Creek Town een tweeling geboren; deze werd direct overgebracht naar een boerderij in de buurt, waar er op bevel van koning Eyo voor hen moest worden gezorgd, zij het dat de boeren aanvankelijk meer geneigd waren voor de baby’s weg te vluchten in plaats van hen te helpen. Zij wilden niet lang bij de kinderen zijn. En de vrouwen renden gillend weg om zich te verbergen, steeds als zij naar hen werden uitgestoken, alsof zij monsters waren. De mannen kregen als eersten vertrouwen en kwamen vlakbij toen zij zagen hoe onze huis boys en meisjes hen veilig verzorgden. Toen begonnen de vrouwen door gaatjes te kijken en van om de hoek, en kropen steeds dichterbij tot zij het waagden over de schouders van de mannen te kijken, en zij waren er tenslotte verbaasd om te zien dat de wonderkinderen handen, voeten, ogen en oren, een mond en een neus hadden net als andere baby’s. Zij hadden tevoren nooit naar tweelingen gekeken (H. 27).

Verhalen.
De mensen van Calabar waren verzot op het vertellen van verhalen – Inke –waarin alle vogels en dieren voorkwamen als handelend en sprekend met de mensen. Zij waren als fabels, maar in het algemeen zonder moraal; hoewel sommige, werd beweerd, zeer instructief waren. Bepaalde vrouwen, verhalen vertelsters, konden daar een gezelschap de hele nacht mee onderhouden. Een van deze ‘oude vrouwen fabels’ was de volgende: er groeide een grote boom op de wereld, zo groot en sterk dat geen macht ter aarde die kon afbreken. Abasi (God) zei dat wie deze zou afbreken zijn dochter ten huwelijk zou krijgen. Ieder mens, dier en vogel probeerde het, maar allen tevergeefs. Zelfs de Ikpun kpun kpun Ine – een fabeldier veel groter dan de olifant – probeerde het tevergeefs. Tenslotte zei het schildpad, of het landschildpad, dat hij hem zou afbreken. Alle grote wezens lachten om zijn bewering. Maar in het geheim nam hij de grondmieren in dienst en ging met hen aan het werk, gravend onder de boom en de wortels afsnijdend waar die jong en zacht waren, zonder dat iemand het in de gaten had, tot de boom flink was verzwakt, en door een kleine inspanning helemaal omviel (H. 19).

Enkele objecten.
Wandelstok met zilveren knop. Deze dragen bodes van een belangrijk heer om zich te identificeren (H. 14).
Inlandse bel. Dit is een dubbele bel, niet rond, maar platachtig gemaakt van gehamerd ijzer, alsof er sprake is van twee bellen, die via een handvat met elkaar verbonden zijn, elk met een verschillende toon, als er op wordt geslagen. Ze kunnen er kennelijk ook berichten mee doorgeven, want ‘Young Eyo had in het moeras zijn naam horen roepen via een bijzondere manier van slaan van de inlandse bel’ (H. 29).

Dick.

3 thoughts on “Old Calabar en de Efik-Ibibio.

  1. Old Calabar en de Efik, deel 2.

    In aanvulling op de informatie uit het boek van ds. Hope Masterton Waddell volgt nog wat nadere informatie over dit onderwerp, ontleend aan de navolgende boeken:
    Anene, J.C: The Peoples of Benin, the Niger Delta, Congo and Angola in the 19e Century, H 17 uit het boek: The Peoples of Benin, the Niger Delta, Congo and Angola (1968).
    Ekeh, Peter P. als redacteur: Warri City and British Colonial Rule in Western Niger Delta (2005).
    Falola, Toyin en Matthew M Heaton: A History of Nigeria (2008).
    Hackett, Rosalind I.J: Religion in Calabar (1988).
    Ijeaku, Nnamdi J.O: The Igbo and their Niger Delta Neighbors: we are no second fools (2009).
    Isichei, Elizabeth: A History of Nigeria for schools (1987).
    Jones, G.I: The Trading States of the Oil Rivers; a Study of Political Development in Eastern Nigeria (1963, 1970).
    Jones, G.I: The Art of Eastern Nigeria (1984).
    Kingsley, Mary: Une Odyssée africaine (1897).
    Lovejoy, Paul E: Transformations in Slavery: A History of Slavery in Africa (2012).
    Ogot, B.A. als redacteur: General History of Africa: V. Africa from the Sixteenth to the Eighteenth Century (1992).
    Talbot, P. Amaury: Life in Southern Nigeria (1923, 1967).
    Talbot, D. Amaury: Women’s Mysteries of a Primitive People. The Ibibio’s of Southern Nigeria (1915, 2007).
    Wolf, Erik R, en Thomas Hylland Eriksen: Europe and the People without History (1982, 2010).

    De geschiedenis.
    Over het verre verleden was de dominee redelijk vaag met zijn uitspraak dat de Efik oorspronkelijk in Ibibioland woonden, waar zij vroeg in de 18e eeuw, na te zijn verslagen, wegtrokken, uiteindelijk naar Creek Town.
    Hier valt nog wel wat aan toe te voegen: Volgens Ijeaku, (2009, deel 1. H.3) en Hackett (1988, p 21 e.v.) komen de Efik oorspronkelijk uit een thuisland Ibom geheten (mogelijk gelegen in Igbo land nabij of ten zuiden van Arochukwu). Van daar verhuisden zij later (volgens Hackett omdat zij het Aro Igbo orakel, ‘Long Juju’, niet wilden vereren) naar Uruan (in Ibibio land).
    Hieraan zijn geen data te verbinden.
    Voor het midden van de 17e eeuw (toen zij volgens Hackett weigerden de Uruan godheid te erkennen en hun eigen godsdienst wilden opleggen aan de Uruan) werden zij daar verdreven en trokken uiteindelijk naar Creek Town.
    Mogelijk kenden de Efik, als vissers en handelaars uit Uruan de omgeving van Creek Town al, want Isichei (1987, p 77/8) wijst er op dat er nog steeds vissers uit Uruan naar het Cross River estuarium komen om te vissen. Zo zullen de Efik oorspronkelijk ook vissers en handelaars zijn geweest. Naar Isichei aangeeft vestigden zij zich in Creek Town omdat hier droog land was, waar ook landbouw mogelijk was.
    Volgens Wolf (2010, H.7) begon in Old Calabar (vrij kort na de komst van de Efik) medio 17e eeuw de (trans-Atlantische) slavenhandel, die werd voortgezet tot 1841; er zouden in die periode vanuit Old Calabar zo’n 250.000 slaven zijn geëxporteerd. Deze slaven kwamen volgens Ogot (1992, H. 15) vooral uit Ibibio of waren leden van groepen uit de Cross River vallei en uit Igbo (die laatste met name via het verzamelcentrum Arochukwu, waar men zijn slaven verkreeg via het orakel daar en huurlingen van de Aro, die op mensenjacht gingen).
    De slavenexport begon aan de Cross River dus relatief laat. Jones (1963, 1970, p 43) geeft ook aan dat de Portugese handelaars (die al eind 15e eeuw hier langs kwamen) deze rivier kennelijk niet op kwamen, en dat pas toen de Engelse en Hollandse handelaars geïnteresseerd raakten de slavenexport hier op gang kwam.
    Volgens Hackett (1988, p 21-24) werd Old Town door onderlinge rivaliteit tussen de drie steden van Old Calabar in 1767 verwoest.
    Begin 19e eeuw werd volgens (Hackett, p 21-24) Duke Town onder leiding van “Great Duke Ephraïm” (die volgens Isichei, 1987, p 78/9) zowel obong isong was als eyamba, (zie onder staatsstructuur) de belangrijkste handelsnederzetting.
    Met het einde van de slavenexport (de zgn. onwettige handel) in 1841 in deze contreien, kwam als alternatief handelsproduct de palmolie, die in het binnenland werd geproduceerd (de wettige handel), en raakten de handelsrivieren in de Bocht van Biafra (w/o de Cross River) bekend als de Oil Rivers (Jones 1963, 1970, p 22).
    De handel in palmolie nam aanvankelijk flink toe, maar aan die toename kwam in 1862 een eind als gevolg van de concurrentie van de kant van minerale olie, wat leidde tot oorlogen over de controle van de binnenlandse oliemarkt (Jones, 1963, 1970, p 73). In 1862 was de Europese bevolking in Old Calabar (meest zeelieden, die met hun schepen de havens bezochten) 300 personen (en in Bonny, waar de meeste Europeanen woonden 350 personen); het aantal scheepsrompen, waarin de blanken woonden was daar toen 10 stuks (tegen 7 in Bonny).(NB. Het werd aan de Oil Rivers, d.w.z. de Niger Delta en de Cross River gebruikelijk dat de blanken niet op het vasteland woonden, maar in de scheepsrompen van afgedankte schepen).
    In 1870 nam, het aantal schepen dat deze havens bezocht af door concurrentie van de twee stoomboot scheepvaartlijnen, die een geregelde dienst onderhielden met vijf schepen per maand en de meeste handelsgoederen gingen vervoeren (Jones, 1963, 1970, p 74/5).
    Vanaf ongeveer 1870 werd er niet alleen in palmolie gehandeld, maar ook in (de voorheen waardeloze) palmpitten (Jones, 1963, 1970. P 90). NB. Deze pitten waren volgens de dominee in zijn tijd te hard om winstgevend te kraken.
    In 1884 werd door de Britten het Oil Rivers Protectoraat gesticht, waarvan Old Calabar deel ging uitmaken, en in 1891 werd Old Calabar de hoofdstad van dit protectoraat (Hackett, 1988, 375); dit bleef het tot in 1906 de stad Lagos de nieuwe zetel van de regering werd (Hackett, 1988, p 21-24).
    De gunstige positie van de Efik als bemiddelaars werd geleidelijk aan ondermijnd, eerst toen de Cross River werd open gelegd [en de Efik dus hun handelsmonopolie hier verloren], daarna verder in 1916 toen Port Harcourt werd uitgebouwd tot een spoorwegterminal en haven; er ontstond in Calabar een recessie. Hierbij kwam nog de prijsdaling van primaire producten in de late jaren van 1920 en 1930; het leidde tot werkloosheid, sociale spanningen en migratie naar bestuurlijke centra in andere delen van Nigeria (Hackett, 1988, 21-24).
    Talbot, die begin 20e eeuw met zijn vrouw in Nigeria verbleef, weet te melden dat hij volgens een ervaren missionaris nog net op tijd naar het land was gekomen om de oude geloofsvormen en gewoontes vast te leggen, voor zij helemaal waren vervaagd; want ‘de jongeren worden nu heel snel gekerstend, maar veel ouderen houden nog vast aan hun oude geloof en gewoontes (Talbot, 1923, 1967, p 6/9).

    Volgens de (onbetrouwbare) volkstelling uit 1953 was toen de Efik bevolking de volgende:
    Efik stam, stadsgebied van Calabar (het voormalige
    Duke Town en Old Town) 1) 2) 46.705
    Duke Town plantages (Akpabuyo, Odukpani Road) 2) 50.620
    Creek Town en plantages 2) 9,201
    Andere Efik dorpen (Ikonetu, Ikot Offiong, Adiabo) 10.072
    Totaal 116.598
    1)inclusief ca. 20.000 Ibo
    2)inclusief Kwa en Efutgroepen.
    Volgens deze volkstelling was toen 73,9% van de bevolking Christen, 0,8% moslim, en 1,5% had een andere godsdienst (Hackett, 1988, p 117). Dus kennelijk had toen nog 23,8% de oorspronkelijke godsdienst. Hackett verwacht dat nu meer dan 95% van de bevolking Christelijk is in die zin dat zij trouw claimen aan een christelijk gerelateerde instelling, en dus de riten van de doop, het huwelijk en de begrafenis ondergaan en hun kinderen naar de zondagschool sturen (Hackett, 1988, p 117).

    Staatsstructuur.
    De structuur van een stad was heel los. Deze bestond volgens Isichei (1987) uit een groep dorpen (inung). Een dorp bestond uit een aantal secties (otung), gewoonlijk vertaald als ‘wijk’, bestaande uit lineages, genaamd ekpuk, met een gemeenschappelijke mannelijke voorouder; elke wijk had zijn wijkhoofd, ete otung, die gezamenlijk de dorpsraad vormden, waar aan het hoofd een obong stond. De stad werd bestuurd door een raad van ouderen, geleid door de obong isong (Isichei, p 76).
    Volgens Hackett (1988, p 21-24) bestond elke wijk, ekput, weer uit meerdere ufok, segmenten, families of erven of huizen, die op hun beurt bestonden uit gezinnen. De ekpuk waren vrijwel autonoom. De elementen, die de verschillende ekpuk samenbonden waren: 1) het geheime Ekpe genootschap; 2) de stadsraad, onder leiding van de obong isong; 3) de gemeenschappelijke godsdienst, in casu de persoon van de Opperpriester van de watergod Ndem Efik, (volgens Hackett, 1988, p 27/31, de voorzitter van de raad van priesters), wiens positie echter steeds zwakker werd, omdat hij geen handel mocht drijven (zie Isichei, 1987, p 78/9); zijn inkomsten kwamen uit tributen en de huiden van luipaarden (Talbot, 1923, 1967, p 27/31). [Aan deze elementen kunnen in feite nog worden toegevoegd de door Isichei (1987, 76) genoemde leeftijdsgroepen voor mannelijke personen en de door hem genoemde functionaris, de eyamba, het hoofd van de wet]. Volgens Hackett werd in de 19e eeuw de eretitel ‘koning’ gegeven aan die wijkhoofden, die zich bezighielden met de handel met de Europeanen; en uiteindelijk werd het aantal ‘koningen gestabiliseerd op twee: 1) die van Duke Town; 2) die van Creek Town; aan het begin van de 20e eeuw werd dit verder beperkt tot 1 koning.
    Men hechtte erg aan afstamming: de adel, d.w.z. slechts zij die via de mannelijke of de vrouwelijke lijn afstamden van de stichters waren verkiesbaar voor politieke en religieuze functies (alleen zij konden lid worden van de hoogste graden van het Ekpe genootschap); dit belette echter niet dat rijke slaven en gewone mensen invloedrijk werden.
    Door de aanwezigheid van landbouwgronden stichtten de wijken boerendorpen in het binnenland (Jones 1963, 1970, p 190), waar met name veel van hun slaven te werk werden gesteld.

    De Goden.
    Volgens Jones had de Opper God bij de volken van de Cross River een duale persoonlijkheid en was verdeeld in Obassi Kenyong (God van Boven) en Eka Obassi (Moeder-God). De meeste mensen ten Oosten van de Niger maakten onderscheid tussen natuurgeesten (Idem bij de Ibibio) en Ekpo (geesten); de Idem waren mythische, heldhaftige wezens, die eens leefden als gewone mensen (Jones, 1984, H. 4).
    God. Volgens Hackett waren er een Opper God, Abasi en een reeks lagere goden en geesten, bekend als Ndem (Hackett, 1988, p 21/24), maar was er ook nog een vage notie van Eka Abasi, de vrouwelijke godheid, die alleen betrokken was bij de geboorte van kinderen en het lot van individuen, maar volgens hem was haar status lager dan die van Abasi (Hackett, 1988, p 34). Hij voegt er aan toe dat er veel Ndem waren, want elke stad, wijk, lineage en zelfs vele individuele families hadden hun eigen beschermgoden en godinnen.
    Talbot vond nog enige sporen van een vroegere God, genaamd Ete Abassi (God de Vader), de echtgenoot van Eka Abassi (de Moeder God); maar zegt dat hij tegenwoordig is vervangen door Abassi Obuma (de Donder God) of met deze wordt geïdentificeerd, zoals Eka Abassi dat op sommige plaatsen wordt met Isong, de Aarde (Talbot, 1923, 1967, p 11/14). Hij vernam dat Eka Abassi zowel de moeder als de echtgenote is van Obuma, dat zij de echte bron is van de Ibibio godsdienst; over haar mag niet worden gesproken; uit haar is alles ontsprongen, zowel haar zoon en gemaal, als het geringste levende wezen, en elke twijg, steen of waterdruppel; in dat alles bevindt zich een fractie van haar. Zij zendt alle kinderen en haar vragen de vrouwen om kinderen; tot haar bidden zij om wegneming van de vloek als hun kind ontijdig is overleden (Talbot, 1923, 1967, p 8/9).
    Ndem/Idem. Talbot hoorde van een zegsman, dat Ndem niet geschapen is, eeuwig is; en woont in bronnen, poelen of rivieren, in de boomstammen van grote bomen, in rotsen, op plaatsen waar de voorouders eeuwen lang offers hebben gebracht, dus op plaatsen waar grote, veelhoekige stenen staan, of koperen roeden zijn te zien, die uit de aarde oprijzen; dergelijke plaatsen zijn diep in de wildernis te vinden en zijn erg heilig wegens de daar wonende geest, ndem, kan niet worden gematerialiseerd en er wordt maar zelden een poging gedaan hem af te beelden; matten van gevlochten palmbladeren worden vaak rondom zijn woonplaats gehangen, maar dat is alleen om aan te duiden dat de grond heilig is; hij is de schenker van vruchtbaarheid, een van de weldoende krachten van de natuur; hij zendt vruchten en zaden om de mensen te voeden, maar vraagt in bepaalde seizoenen verschrikkelijke offers, bijv. bij het planten van de nieuwe yams en het feest van de eerste vruchten (yams); deze offers dienen als bevruchtende middelen (Talbot, 1923, 1967, p 22).
    Talbot noemt de Ndem Efik, een mannelijke juju, die op het Parrot eiland in de Cross River woonde tot de mangroves daar werden omgehakt, toen ging hij het water in; zijn voornaamste plichten zijn: kinderen te zenden, kano’s ervan te weerhouden te zinken en te helpen bij de handel; hij wordt weergegeven door enkele grote potten, gevuld met water, enkele Afia-Akuk roeden en een mensenschedel; onder bijzondere omstandigheden, bijv. een epidemie, offert men hem een mens met een geelachtige huid (albino), waar men dan een schildpad aan toevoegde (Talbot, 1923, 1967, p 37).
    Mbiam. Talbot maakt ook melding van Mbiam; deze belichaamt de krachten van de verschrikking en angst; met zijn hulp kan er snelle en zekere wraak worden genomen op een vijand; hij is een verschrikkelijke wreker van gebroken eden, gezworen op zijn naam, of van onrecht, iemand aangedaan, waarvoor zijn hulp is ingeroepen. Mbiam is de personificatie van haat en wraak (Talbot, 1923, 1967, p 22).
    Heilige groeve/het heilige bosje. Talbot vertelt ons wat zij daar gewoonlijk heeft gezien: 1) matten van gevlochten palmbladeren, die de regenboog zouden voorstellen, en, als zij voorzien zijn van franjes, een combinatie van de regenboog en de bliksem; 2) potten met water d.w.z. offers aan de vooroudergeesten; 3) zaden en delen van bomen, die duiden op de kracht van de voortplanting en de krachten die latent aanwezig zijn in de vegetatie; soms staat er ook een heilige boom van gigantische omvang, waarin de geest van de plek zetelt; 4) schelpen, die gewijd zijn aan de Geest van de Zee, omdat men altijd het geluid van hem daarin kan horen; 5) een kleine hut, die de familie, de haard en thuis voorstelt; 6) delen van vissen, schedels en ruggengraden van krokodillen, veren van witte vogels en schedels en hoorns van dieren uit de wildernis; zij duiden op het leven en de beweging in water, de lucht en op aarde; 7) heilige stenen of rotsen, in combinatie met een poel, een meer of de aarde zelf; allemaal duiden zij op moederschap en vruchtbaarheid; 8) een python, een luipaard en een visadelaar die de wateren, resp. het land en de lucht moeten beschermen. (Talbot 1915, 2007, p 10).

    Overige godsdienstige opvattingen.
    Reïncarnaties; Talbot (1915, 2007, p 36) vertelt ons dat de ouders de pas geboren baby onderzoeken op enige gelijkenis in de fysiek of manier van spreken of bewegen met een overledene, en of een kind interesse toont voor spulletjes van een overleden familielid, want dat zou aantonen dat er sprake is van een in de baby gereïncarneerde geest.
    Kingsley (1897, H. 13): als een in een baby gereïncarneerde persoon in zijn vorige leven een bepaalde dodelijke ziekte heeft gehad, loopt hij het risico deze ziekte bij zijn reïncarnatie mee te nemen; in dat geval is de ziekte weer dodelijk, want men kent geen middel tegen gereïncarneerde ziektes.
    Voorouderverering; volgens Jones had elke wijk of subwijk zijn eigen vooroudercultus voor haar stichter en andere voorouders, die met hem geassocieerd werden (Jones, 1963, 1970).
    Vier zielen; Kingsley (1897, H. 13) onderscheidt vier zielen: 1) de onsterfelijke ziel; 2) de schaduw die de mens volgt; 3) de droomziel; 4) de ziel van de wildernis, die de vorm aanneemt van een dier uit het bos. Over deze laatste ziel zegt zij, dat deze zich verwaarloosd kan voelen en dat die de mens ziek maakt; de waarzegger zal dan diagnose stellen en adviseren deze ziel een offer te brengen op de plek waar de waarzegger hem ziet, om vergeving te krijgen en te herstellen; in de bossen in de omgeving van Calabar vindt men vaak minuscule huisjes, die deze offers bevatten. Deze ziel is niet onsterfelijk, en een man en zijn zoon, en een vrouw en haar dochter hebben over het algemeen de ziel van hetzelfde soort dier.
    Affiniteiten: Talbot (1915, 2007, p 37) vertelt ons dat een affiniteit een mysterieuze band is tussen een mens en een plant of een dier, waar deze mens onder bepaalde omstandigheden zijn ziel heen kan sturen. Een mens met deze band ziet eerst in zijn dromen zich rondzwerven als een soort ‘weerwolf’ en krijgt na een tijdje de wens de noodzakelijke riten te leren voor het bewust aannemen van de dierenvorm van iemand die deze geheimen kent; en tenslotte verwerven zij dit vermogen. Men kan dit vermogen ook kopen van iemand van het Ekoi volk, of een andere stam uit Kameroen, waar zulke geheimen vandaan schijnen te komen. De meest gangbare weervormen zijn: die van luipaarden, krokodillen, slangen en vissen.

    Magie en hekserij.
    Juju; Volgens Jones is het woord ‘juju’ de Nigeriaans-Engelse vorm voor bovennatuurlijke krachtvoorwerpen; de naam zou zijn afgeleid van het Franse Joujou, de naam die Franse handelaars gaven aan de idolen, die de Afrikanen aanbaden; de naam is door het volk aanvaard; aan de Goudkust was het woord voor deze objecten fetish (Jones, 1984, H. 4).
    Volgens Talbot zijn er twee soorten juju’s: goede en slechte; de eerste worden ndem genoemd, de laatste mbiam (Talbot, 1915, 2007, 157/8).
    Giforakel; Kingsley (1897, H. 13) weet hierover te vertellen dat men in Calabar hiervoor twee drankjes heeft: 1) dat van de Calabar prinsessenboon; deze drank, gebruikt in gevallen van vermoede hekserij, is zo giftig dat men alleen kans heeft deze proef te overleven als de fetisheur de drank een tijdje laat staan voor zij moet worden opgedronken of als hij u een heel sterke dosis geeft; want in beide gevallen gaat u direct braken, en dat is een bewijs van onschuld. 2) het fetishbrouwsel, genaamd Mbiam, dat wordt gebruikt om een eed af te leggen. Deze drank is niet giftig, maar wordt toch door iedereen gerespecteerd en gevreesd, waardoor men op de Mbiam geen meineed durft te doen. Men kan zo’n eed afleggen bijv. om te zweren dat men een zieke niet heeft behekst of hem de ziekte in zijn hart heeft toegewenst, waardoor hij ziek is geworden; men zweert dan o.a. ‘als ik aan deze misdaad direct of indirect schuldig ben, dan mbiam, doe uw werk’ en daarna drinkt men de drank, bestaande uit een mengsel van bloed en vuil. Volgens haar is er in Calabar nog een andere test: alle weduwen van een overledene moeten in de nacht na het overlijden van hun echtgenoot naar een open plek komen, waar een vuur brandt; daar bevestigt men aan de hand van elke vrouw een kip; als die kip zich stilhoudt en niet kakelt bij het zien van het vuur, wordt zij ervan beschuldigd een vloek over haar overleden echtgenoot te hebben uitgesproken en men doet haar recht zoals dat behoort.

    Het Egbo genootschap.
    Het Ekpe (of Egbo in haar verengelste vorm) heeft een wat duistere herkomst. Er is enig bewijs dat Ekpe oorspronkelijk een genootschap van de vrouwen was, dat later door de mannen van hen is afgenomen, maar de Efik zelf ontkennen dat en stellen dat het enige geheime genootschap dat van de vrouwen is afgenomen het Obon genootschap is.
    Sommigen beweren dat de wortels van het huidige Ekpe liggen in het oorspronkelijke Nyanu Yaku of Mkpe genootschap, dat de Efik hadden ten tijden van hun migratie uit Uruan. Toen zij uit Uruan vertrokken naar hun huidige nederzettingen ontmoetten zij een soortgelijk genootschap bij de Efut en kochten uiteindelijk het geheim van de vijf kleine (de laagste) Ekpe graden van ene Archibong Ekondo, die het op zijn beurt had verworven van de Ekoi (Ejagham) in Usak Edet, nu aan de Kameroenkant van de Cross River. De leiding over dit Ekpe kwam in handen van Oku Atai en zijn afstammelingen. De meeste bronnen schijnen het er over eens te zijn dat het Ekpe genootschap oorspronkelijk een religieuze cultus was. Later werd de cultus gebruikt om de wensen van de Ekpe geest te interpreteren en wet af te dwingen. Ekpe betekent in het Efik ‘luipaard’ en dit zou een onzichtbaar en mysterieus wezen zijn geweest dat in het woud woonde, en niet door niet-geïnitieerden mocht worden gezien. De Ekpe werd zo nu en dan ‘gevangen’ en naar de stad gebracht voor de traditionele ceremonieën, waarbij het gebrul van het ‘dier’ voor iedereen was te horen. Ekpe werd vertegenwoordigd door een renner, Idem Ikwo, een gemaskerde in een veelkleurig kostuum (esik) en een zwarte, gebreide kleding met een kap en een bos bladeren in zijn linkerhand om zijn oorsprong uit het woud aan te duiden; hij droeg een bel om zijn middel om zijn komst aan te kondigen, want hij sloeg de niet-geïnitieerden met de zweep of stok die hij droeg (Hackett, 1988, p 34-35).
    Ook Jones geeft aan dat de Efiks dit genootschap kregen van hun Ekoi buren (Jones, 1963, 1970, p 19).
    Ogot (1992, p 15) meent dat de slavenhandel er deels voor verantwoordelijk was dat het Ibibio Ekpo genootschap en de Mgbe van de Ekoi werden hervormd tot de Ekpe in Calabar en stelt dat de Ekpe een klasse gestructureerd genootschap werd dat de vrije aristocratische elementen verenigde en de slaven en armen onder controle hield, politieke en sociale regels afdwong, schulden inde en orde oplegde (Ogot, 1992, p 15).
    Talbot (1915, 2007, p 172/4) weet nog te melden dat Egbo vroeger van de vrouwen was, en geeft daar de volgende motivering van: als Egbo uit de stad vlucht, en de leden er niet in slagen hem te vangen en in triomf terug te brengen, zijn zij genoodzaakt de hulp van een oude vrouw in te roepen, die moet behoren tot een van de heersende families; op haar oproep keert de geest gewoonlijk terug. Toen de man van de schrijfster informeerde naar de oorsprong van deze gewoonte werd hem na behoorlijke aarzelingen verteld, dat de hulp van de vrouwen nodig was omdat Egbo oorspronkelijk een geheim genootschap van de vrouwen was. Later vernamen dhr. en mevr. Talbot nog dat de ontdekkers van Egbo enkele vrouwen uit Kameroen waren, die op een ochtend gingen vissen in de rivier; daar bij het water, vonden zij de eerste Egbo, die daar heen was gebracht door een godin, die naar de aarde was afgedaald, om de geheimen van de cultus te onderwijzen aan haar aardse zusters; na het leren van de mysteries brachten de vrouwen het beeld in triomf naar hun stad, waar zij een hut bouwden om het een schuilplaats te geven en de riten van de cultus uit te voeren. Na een tijdje zagen de mannen het belang van de nieuwe cultus in en haalden de vrouwen er toe over hen in de mysteries in te wijden; daarna sloegen zij alle vrouwen, die het geheim kenden dood en maakten een wet dat voortaan alleen mannen nog lid mochten zijn van het genootschap of getuige zijn van de riten.
    Kingsley geeft nog een beeld van Egbo in haar tijd, eind 19e eeuw. Zij geeft o.a. aan dat elke Efik handelaar, temeer als hij een belangrijk persoon wil worden, zich in zijn eigen belang moet inkopen in de hoogste graden van Ekpo, ook al kost dit voor de hoogste graden volgens haar informatie 1000 à 1500 Engelse pond, want dat is het wel waard; zo kan hij Egbo achter zijn weerspannige debiteuren aansturen om zijn vorderingen te innen; de Egbo plaatst zich dan in de deuropening van de wanbetaler, belet die naar buiten te gaan en vertrekt pas na betaling. Zij heeft ook onopgemerkt de Egbo geest in het woud ontmoet toen zij in de omgeving van een stad aan de Qua rivier reisde: zij hoorde toen een verschrikkelijk tumult, vergezeld van trommels; de mannen, gekleed in vreemde kledij, hadden een soort kist bij zich, vastgezet op palen; zij leken in extase te verkeren en schreeuwden en sloegen op hun trommels en dansten snel zwenkend rond de kist, waarvan één kant open was; zij omringden een dichtbegroeide plek en probeerden daar een of ander schepsel uit te laten komen om dat in de kist te doen gaan. Weldra was het in de kist en met kreten van vreugde vertrokken zij met de kist, wankelend onder het gewicht. Daarna klonken er de hele nacht in Duke Town gezang, kreten en tromgeroffel. Haar werd uitgelegd dat Egbo in de stad was gekomen. Vanuit zijn ark doet hij diepzinnige uitspraken over politieke zaken en zijn woorden hebben kracht van wet. Maar inmiddels mogen zijn representanten van de Britse autoriteiten geen zweepslagen meer uitdelen of mensen neerslaan zonder vorm van proces (Kingsley, 1897, H 16).
    Isichei weet hier nog aan toe te voegen dat Ekpe negen graden kende, waarvan alleen de laagste vijf graden open stonden voor slaven, en dat elke Ekpe loge een Ekpe steen had, waarin een luipaardgeest (Ekpe) woonde, die een brullend geluid voorbracht; volgens hem werd er bij de maskerades met takken met bladeren geslagen; hij geeft aan dat dankzij de rijkdom en het prestige van de Calabar handelaars het genootschap zich snel verspreidde onder een aantal Ibibio- en Igbo groepen [NB. Hun klanten] (Isichei, 1987, p 78/9).
    Jones weet ons nog te vertellen dat de stem van de demon een bromhout of een wrijftrommel was, en dat de demon zelf nooit te zien was, en dat de karakters die men zag, zijn dienaren of slaven uit de geestenwereld waren; de leden van het genootschap ontmoetten elkaar in de ontmoetingshuizen van het dorp, die tevens voor de mannen van het dorp als clubhuizen fungeerden [palaverhuizen] (Jones, 1984, H. 5).
    Wolf geeft nog aan dat elke graad een meester (Obong) had; dat aan het hoofd van Ekpe een voorzitter (eyamba) en een vicevoorzitter (ebunko) stonden; de leden van de hoogste graad vormden de beslissingen nemende raad; de tweede graad voerde de beslissingen uit; zich baserend op Latham meldt hij verder dat Ekpe zich snel verspreidde buiten Old Calabar onder de volkeren langs de Cross River, want door Ekpe te aanvaarden, maakten de mensen zich daar in de ogen van de Efik handelaars kredietwaardig en die konden dan over Efik krediet beschikken; om dezelfde redenen sloten ook enkele Westerse handelaars zich bij Ekpe aan (Wolf 2010, H. 7).
    Jones geeft aan dat er aan het eind van de 19e eeuw op zijn minst drie belangrijke genootschappen waren onder de naam Ekpe, zodat er heel wat verwarring ontstond. Dit waren er de volgende:
    1) Ekpe (Egbo), die zich ontwikkelde uit Nge; karakteristiek zijn het netkostuum en hun met leer beklede hoofden en figuren; de kleding van hun renners met hun netkostuum was strikt voorgeschreven;
    2) Ekpe (Ikot), een genootschap van jongemannen bij de Anang en Ibbio met als hoofddoel het beschermen van het gewas en het bestrijden van diefstal; zij hielden ’s nachts de wacht bij de paden naar het dorp of de akkers;
    3) Ekpe (Ibo), van de Ohuhu/Ngwa dorpen aan de Anang Ibo grens; dit genootschap was al lang uitgestorven in de Bende divisie en was in vele dorpen vervangen door genootschappen van het Ekpe (Egbo) type en had ook geen luipaardsymboliek.
    Verder meldt hij dat in de koloniale periode het onderscheid tussen wereldse en heilige dansen is verduisterd of verdwenen, samen met de meeste oude maskerades en de geheime (mannen) genootschappen, die voor hen verantwoordelijk waren, omdat de meeste Christelijke kerken hun leden verboden lid te worden van dergelijke genootschappen en met hun maskerades mee te doen, want die waren ‘juju’. De maskerades die hun plaats innamen waren nieuwe, uit naburige streken geïntroduceerde of heroplevingen van oude maskerades, die ‘non-juju’ waren. Enkele genootschappen sloten een compromis via maskerades met twee soorten gemaskerde karakters: 1) de oude, die juju waren; 2) de nieuwe, die non-juju waren, waaraan Christelijke leden konden deelnemen (Jones, 1984, H. 5)

    Andere geheime genootschappen van mannen.
    1) Obon genootschap. Hackett (1988, p 34-35) maakt melding van dit genootschap, dat oorspronkelijk van de vrouwen zou zijn geweest; zie hierboven onder Egbo.
    2) Ikem genootschap. Jones (1984, H 11) zegt hierover dat de Cross River maskerade met de naam Ikem, die beschilderde koppen gebruikte, in plaats van met leer bedekte koppen, zich in de vroege eerste tientallen jaren van de 20e eeuw vanuit Calabar verspreidde naar het Ibibio gebied en de Oron.

    Geheime genootschappen van vrouwen.
    Deze vormden volgens Talbot voor de vrouwen de enige bescherming tegen de tirannie van hun mannen, omdat zij hun zaak konden voorleggen aan de hoofden van het genootschap, waarna dat eventueel actie ondernam. Hij noemt dan de volgende twee genootschappen:
    1) Ebere, afkomstig van de Ubium Ibibio’s. Alleen rijke vrouwen kunnen hier lid van worden, omdat zij een groot aantal tamelijk kostbare zijden zakdoeken moeten kopen om er een de lendenen bedekkende kleding van te maken; de leden dragen ook 3 à 4 inch brede banden van gelooid leer, volledig bedekt met kralen en kauri schelpen, aan de beide benen, gewoonlijk boven de enkel en onder de knie; soms worden deze banden ook om de voorarmen gedragen; rond hun keel en over hun borsten hangen kettingen van fel gekleurde kralen; onder de enkelbanden hangen dozijnen kleine, gedraaide bronzen ornamenten, genaamd nyawhawraw, zoals ook door kleine meisjes aan een touw om het middel worden gedragen; soms worden deze ornamenten ‘bellen’ genoemd, maar in feite zijn het meer kleine klepels; de Ebere vrouwen zeggen dat zij ze dragen ‘opdat zij tegel elkaar zullen klingelen en mooi zingen tijdens het dansen (Talbot, 1915, 2007, p 169)
    2) Ndito Iban; de vrouwen ervan kleden zich in de nacht waarop hun mannen op oorlogspad gaan in de kleding van hun echtgenoten en gaan vrolijk dansend en zingend door der stad; en mogen alleen worden aangesproken met de naam van hun man; zij bezoeken de belangrijkste erven, palmwijn drinkend en lachend, en grappen tegen elkaar makend, tranen zijn verboden, want het toegeven daaraan zou hun afwezige heren magisch beïnvloeden – en hun moed de moed benemen en hun krachten doen wegsmelten. De ceremonie wordt ‘Ikom be’ genoemd en het was ten strengste verboden dat mannen die zouden zien. De vrouwen dansen de hele nacht door om hun moed en volharding te tonen; en pas na het aanbreken van de dag mogen zij rust gaan nemen (Talbot, 1915, 2007, p 169/171). [Hen heeft de dominee zien optreden].
    3) Ndito Than genootschap. Volgens Talbot (1915, 2007, p 200/201) vallen de vrouwen van een zojuist overleden chief onder de zorgen van dit genootschap, dat bij de Ibibio bekend staat als ‘Iban Isong’ ofwel ‘Vrouwen van de Grond); dit ziet er op toe, dat de weduwen niet zondigen tegen de gewoontes, bijv. door hun gezicht of voeten te wassen, en of ze voldoende lang en intensief weeklagen, d.w.z. enkele uren nadat ze met het kraaien van de haan zijn opgestaan, het erf niet verlaten tijdens de periode van afzondering, genaamd ‘Mbuk Pisi’ ofwel het ‘Rouwhuis’, die tegenwoordig 1 à 2 weken duurt, op zijn hoogst een maand, maar vroeger 1 jaar of langer, en als kleding alleen een smalle lendendoek dragen.

    (De voorbereiding tot het) Huwelijk.
    Verloving. Het verloven en uithuwelijken van kinderen was niet ongewoon. In het laatste geval woont de baby-bruid gewoonlijk bij de familie van haar man en normaal gesproken wordt haar jeugd door hem gerespecteerd, zo niet dan heeft de familie van het meisje het recht haar terug te eisen zonder terugbetaling van de bruidsschat (Talbot, 1915, 2007, p 76/7).
    Dikmaakhuis. Volgens Talbot worden de jonge meisjes voor zij dit huis betreden naar de rand van een heilige poel of –stroom gebracht, waar er een offer wordt gebracht aan de daar woonachtige geest, aan wie het meisje wordt voorgesteld en die gevraagd wordt haar te beschermen terwijl ze in het dikmaakhuis is. De intree in dit ‘huis’ ter gelegenheid van Mbobo d.w.z. de komst van de Kleine Borsten, is in het leven van een Ibibio meisje de eerste grote gebeurtenis; dit dikmaakhuis is een aparte kamer in het huis van haar ouders, bestemd voor het afzonderen van dochters die dit proces doormaken; gedurende deze periode van gewoonlijk drie maanden mogen zij niet buiten de muren van het erf gaan en in theorie worden zij geacht de drempel van het dikmaakhuis niet te overschrijden; zij werken dan niet worden goed verzorgd; zij wordt in deze periode ook besneden. De dochters van rijke Efiks en Ibibio’s gaan zelfs twee of driemaal het dikmaakhuis in. De tweede periode, die bij de Efiks ‘Abiana Abiana Nkuawhaw heet d.w.z. ‘de Komst van de Volle Borsten’ kan van enkele weken tot twee jaar duren. Na afloop hiervan showt het meisje zich aan het publiek en haar (mogelijke) vrijers en krijgt zij vele geschenken waaronder altijd behoren 1.000 metalen draden – ter waarde van ca. 1 pond sterling – gegeven om, zoals men zegt: ‘juju te wassen’; deze worden door de bruidegom gezonden als teken van de komende huwelijksband. Ook het eventuele derde bezoek kan wel tot twee jaar duren; kort voor zij dan het dikmaakhuis verlaat overleggen haar vader en haar bruidegom over de datum van de Etuak Ndum (kalk ceremonie) (Talbot 1915, 2007, p 67 -76).
    Het huwelijk. De man moet een huwelijkssom betalen aan de familie van de bruid (Talbot, 1915, 2007, p 75).
    Op de huwelijksdag presenteert de bruid zich in haar mooiste kleding en sieraden en ontvangt grote geschenken, soms wel ter waarde van 100 à 200 pond sterling; er wordt een ‘spel’ uitgevoerd; tenslotte blijft zij alleen met haar man en haar moeder, welke laatste de belangrijke vrouwen van het erf benadert [haar dochter wordt de zoveelste vrouw van de man] en hen vraagt haar dochter goed te instrueren over haar plichten en alles wat hun gemeenschappelijke heer zou kunnen behagen.
    Nadat een goed meisje zo is getrouwd zal zij nooit het erf van haar man verlaten zonder diens toestemming; vriendinnen mogen binnen komen om haar te bezoeken, maar geen man mag dat doen, behalve de mannelijke bediendes die worden gestuurd om de kamers schoon te maken of de binnenhoven te vegen (Talbot, 1915, 2007, p 76/77).
    Echtelijke (on)trouw. Na een grote duivelmakerij of een dansfeest test men de vrouwen vaak op hun trouw met de proef van de kokende palmolie: men kookt deze olie in een pot en zodra de olie kookt moeten de vrouwen om beurten, na hun handen eerst in koud water te hebben gedoopt en de mbiam eed te hebben afgelegd (dat zij niet ontrouw zijn geweest), die in de kokende olie steken, en ze daarna, er de olie afschuddend, zo snel mogelijk weer uit halen; de volgende dag onderzoekt men de handen en degenen die blaren vertonen zijn schuldig aan ontrouw en worden gestraft (Kingsley, 1897, H. 14).
    Echtscheiding: als een vrouw van haar man wil scheiden ‘breekt ze de kalebas’(of inlandse pot) d.w.z. ze beschouwt zich niet langer als de vrouw van de man, met wie ze getrouwd was (Talbot 1915, 2007, p 157/8).

    Begrafenissen.
    Rouwperiode. Kingsley spreekt nog over een vrij onfrisse gewoonte: de naaste verwanten blijven gedurende de tijd die verstrijkt tussen het overlijden en het begraven onder de huisvloer – een afschuwelijk lange tijd als men het klimaat in ogenschouw neemt – veelvuldig en krachtig aan het lijk ruiken; en jonge kinderen worden zelfs boven het lijk gehouden zodat ze ook kunnen ruiken (Kingsley, 1897, H. 13).
    Na het overlijden van een grote Efik chief moeten zijn weduwen flink gaan rouwen; hierop ziet het Iban Isong genootschap toe (zie bij vrouwengenootschappen). Aan het eind van de rouwperiode begint op een kreet uit het Egbo huis, een zeer ‘sterke nacht’; alle weduwen gaan dan een voor een, samen met hun familie ter bescherming van hen, naar het Egbohuis [palaverhuis]. Daar moeten zij om beurten elk zeven maal naar voren komen en zevenmaal voor Egbo luid weeklagen; haar familie moet haar dan beschermen want anders zou Egbo haar vangen en dan zou zij op dat moment sterven. De dag daarna komt Idem Ikwaw (d.w.z. de lagere Egbo) en trekt, begeleid door de chiefs door de stad; de vrouwen moeten voor hem verschijnen met gevouwen armen, zachtjes achteruitlopend; het Egbo beeld slaat dan naar hen met een jonge palmstam, waarvan de harde huid is afgestroopt, zodat slechts het zachtere binnenste deel resteert. Daarna kan de geest van de vrouwen in vrede rusten: er was niets meer te vrezen. Later op die dag gingen de vrouwen zich dan wassen en het hoofd scheren en nieuwe kleding aantrekken; dat was kleding van stof gewoven van gevlochten grassen, waarvan de fijne soort wordt genoemd Ofon Ndam, zwart, rood en geel van kleur, die zacht is als linnen; die moesten zij zeven dagen blijven dragen; de oude kleding, de lepels, kalebassen e.d., gebruikt tijdens de rouwperiode werden daarna in de rivier gegooid. De vrouwen gingen dan terug naar het huis van hun overleden man, maar niet naar binnen; daar werd de juju van het huis naar buiten gebracht en daarop zwoeren de vrouwen dat zij hun overleden man niet ontrouw waren geweest, en dat de juju hen mocht straffen als dit een valse eed was. Daarna gingen de vrouwen terug naar het huis van hun vader (Talbot, 1915, 1970, 200/3)
    Tijdelijke wijkplaatsen voor de zielen der overledenen. Buiten de dorpen in de Calabar districten vindt men langs de drukste wegen constructies van takken, bestemd voor de geest van een overledene; er boven plaatst men matten als dak om ze te beschermen tegen de regen; deze constructies bestaan uit vier in de grond geslagen lange palen, waaraan men op drie voet hoogte horizontaal ook vier palen vastbindt, die bedekt worden met wilgentenen en dan vlak gemaakt tot een platform; daarna bindt men er vijf aanvullende stokken bovenop en daar plaatst men het dak op; op het platform legt men het beddengoed van de overledene (een onderlaken, een gestikte donzen sprei een kussen e.d.); op het dak, op en onder het bed, zelfs eronder op de grond, legt men de huishoudelijke zaken van de overledene: kalebassen, kommen, houten of metalen lepels; aan puntige stokken hangt men andere huishoudelijke voorwerpen; de meeste van de voorwerpen zijn onbruikbaar gemaakt voor ze er geplaatst werden. Hier kunnen de zielen van de overledenen, die nog niet via een begrafenis van de ziel naar het hiernamaals zijn gezonden, rusten. Kingsley zag honderden van deze huisjes (Kingsley, 1897, H. 13)
    De tweede begrafenis. De begrafenis van de ziel van de overledene is zeer kostbaar, is een groot feest, dat veel geld kost; daarom duurt het soms heel lang, soms een jaar of meer, voor men het geld bijeen heeft voor deze ceremonie (Kingsley, 1897, H. 13).
    N’dok, de tweejaarlijkse zuivering. Er zijn rondzwervende zielen, die een gevaar vormen voor de bevolking; dit heeft de volgende oorzaken: 1) een arme familie heeft de middelen niet voor de begrafenis van de ziel; 2) een overlijdensgeval van een stedeling op vreemde bodem, een ongeluk op zee of in het oerwoud. Om deze rondzwervende zielen te verjagen organiseert men om de twee jaar dit festival. In de huizen maakt men nbakim, grote, groteske figuren van gebeeldhouwd hout, gek gekleed in lompen en verschillende snuisterijen. Men plaatst voedsel en alcoholhoudende dranken voor die beelden. De mensen dansen, zingen schreeuwen en spelen de trommel, kortom, zij maken zoveel mogelijk lawaai, om de op dat moment rondzwervende geesten naar hun schuilplaats te laten terugkeren; de kreten dienen ertoe de geesten ervan te weerhouden naar de waterstroom te ontsnappen. Als men daartoe het moment rijp acht, haalt men de figuren uit de huizen om ze naar de rivier te brengen en daarin te werpen in aanwezigheid van de ontketende menigte. Door de beelden met lappen en al in de rivier te gooien wil men de geesten ‘doden’ of ze op zijn minst naar elders laten wegdrijven. Na dit feest maakt men nieuwe beelden voor nieuwe geesten, die in de stad verzeild zouden kunnen raken en deze worden als te voren verzorgd en bewaard tot het tijdstip van de volgende N’dok ceremonie (Kingsley, 1897, H. 13).

    Tweelingenangst.
    Kingsley (1897) in H. 13 over tweelingen: ‘In de Nigerdelta doodt men bij alle stammen tweelingen en ook de moeder in streken die zich buiten de Engelse heerschappij bevinden, behalve in Omon, waar zich een vrijplaats bevindt. Daar verbant men de moeders en hun tweelingen naar een eiland in de Cross River. Zij moeten daar blijven en als een man een van de vrouwen wil trouwen moet hij daar op zijn beurt ook gaan wonen’.
    Talbot (1915, 2007, p 20/1), geeft aan dat voor betrekkelijk kort geleden een dergelijke geboorte werd gevolgd door de dood van zowel de moeder als de baby’s, en tenzij de angst voor de blanken te groot is mogen de tweelingen niet in leven blijven en worden ze in de wildernis geworpen; de laatste jaren is de gewoonte in die zin gematigd dat na de dood van de tweeling de moeder in leven mag blijven en een wijkplaats mag zoeken in een apart ‘tweelingendorp’, waar ze een zuivering moet ondergaan gedurende een periode van 12 manen, voor ze zich weer onder de mensen mag begeven.

    Diversen.
    Bronzen stoel van koning Eyamba; deze wordt vermeld door Jones, maar niet verder omschreven (1984, H. 2).
    Namen. In Old Calabar waren de meeste Engelse namen van de mensen een vertaling van het Efik woord – Afrom en later Ephraim voor Effiom; Hogan voor Okon; Henshaw voor Nsa; Cobham voor Akabom; Archibong voor Asibong (Jones, 1963, 1970, p 22).
    Oorlogstrommel. De twee tonen hiervan werden vaak onderscheiden als mannelijk en vrouwelijk en veel Cross River oorlogstrommels hadden twee figuren, een man en een vrouw, aangesneden. (Jones, 1984, H. 4). Mijn kanttekening: Zou dit ook kunnen gelden voor de dubbele gong: de ene mannelijk en de andere vrouwelijk?
    Vals haar; ‘in het Cross River gebied werd het haar aangevuld met vals haar en dan opgebouwd rond een binnensteun om lange hoorns te vormen, die naar boven omhoog staken bovenop het hoofd’ (Jones, 1984, H. 3). Voorbeelden van deze ‘haarstijl’ zijn naar mijn mening te zien op de foto’s ter plaatse van Jones op de webside: http://mccoy.lib.siu.edu/jmccall/jones/ekpe.html

    Afbeeldingen.
    1) In het Ross Archive of African Images, van de Yale Universiteit zijn een twaalftal oude afbeeldingen (uit publicaties van voor 1921) te vinden over de Efik en hun kunst, meest in situ.
    Zie webside: http://rossarchive.library.yale.edu/web/site/index.php?new_search=1&globalnav=advanced_search_results&all=Efik&exact=&one=&without=&keyword_1=&keyword_6=&keyword_2=&keyword_8=&keyword_5=&author=&title=&pub_date=&illus_date=&illustrator=&illus_type=&language=&collections=&comments
    Beschrijvingen:
    >Uit Kingsley: nr. 367. Dodendanskostuums uit Old Calabar; door Susan Vogel ingedeeld in de stijl van de Efik/Ejagham, met als kanttekening van haar: soortgelijke maskers op afbeeldingen 580, 592, , 865.1, 2008, 2015.[Er is sprake is van twee maskers in de vorm van gemaskerden, met een raffia netkostum met masker van stof, dat het gezicht bedekt en bovenop het hoofd van de drager een houten gebeeldhouwd hoofd, bedekt met een huid, bevestigd in de Ejagham/Efikstijl; de ene gemaskerde draagt een zweep, de ander wat lijkt op een soort degen; de linkse gemaskerde draagt vele belletjes aan zijn benen, mogelijk zoals omschreven door de dominee bij de beulen.
    >Uit Partridge, 1905: nr. 469. De dans van wat door de Efiks wordt genoemd, de Yangbey club in Obubura; de auteur van het boek zegt over de hier gemaskerde figuur, genaamd Onononaiam, die een kostuum van vezels en gras draagt dat deze vroeger mogelijk ‘de beul’ werd genoemd, die vroeger een mes droeg in plaats van de bladeren die hij nu draagt. [Helaas is het masker, nu een gezichtsmasker, nauwelijks op de foto te zien; het is volgens Susan Vogel in de Ejagham stijl; [dit en de mogelijke omschrijving van ‘beul’ duidt weer op een Ekpe masker].
    >Uit Partridge, 1905: nr. 470. Nogmaals een foto van de Dans van de Nangbey club uit Obubura, die hun eigen schrijn hebben. Een begeleider draagt een westerse hoge hoed. [De danser is hier van vrij dichtbij gefotografeerd, maar wel van opzij, iets van achteren, waardoor wel goed te zien is dat hier sprake is van een kostuum van bundels grasvezels, maar het gezichtsmasker is nog steeds slecht te zien].
    >Amaury Talbot, 1912: nr. 570. De Nkanda graad van het Egbo genootschap met embleem “Ekabe Nkanda”. Dit is volgens het boek de zevende graad, en de hoogste die een jongere man binnen het genootschap kan bereiken; de laatste twee graden zijn voor de ouderen bestemd; de chief van Nkanda is de voorzitter van de plaatselijke Egbo loge, en hij is veruit de machtigste man van het dorp; een van de voornaamste insignia van de Nkanda graad is de Ekarra (in het Efik) Nkanda, de grote hoepel, die ook op de foto is te zien. Hier wordt verder nog aangegeven dat elke Egbo graad zijn eigen dans en dansmuziek en Egbo (menselijke) weergave heeft in de vorm van een verkleed mens; die op een zijn hoofd een houten stellage draagt , bedekt met huid in de vorm van een mensenhoofd, vaak met twee gezichten, een mannelijk en een vrouwelijk gezicht. Dit stelt voor de alwetendheid van de Godheid die alle kanten op kijkt, zowel in de toekomst als in het verleden, en wijst ook op het biseksuele karakter, zoals naar voren komt uit de oudste concepten van Obassi Osaw en Obasswi Nsi, de Hemelse Vader en de Moeder-Aarde. Ook hier omschrijft Susan Vogel de afgebeelde gemaskerde Ekabe Nkanda als in de Ejagham stijl. Blijkens de foto draagt de gemaskerde een nauwsluitend raffiakostuum met witte driehoekjes en is ook het masker daarvan voorzien; die masker is zo te zien om het hoofd gebouwd; de gemaskerde kijkt door een smalle spleet in het masker. Voor verwante foto’s verwijst zij naar de afbeeldingen 1075.1 en 1241.1.
    > Amaury Talbot, 1912: nr. 571. Deze gemaskerde wordt in het boek omschreven als een zeer oude Ekoi Juju figuur, die sinds enkele jaren een nieuwe naam heeft gekregen: Ekuri Ibokk (‘bijl-medicijn), toen men een bijl tussen zijn kaken ging plaatsen samen met andere insignia [NB. In feite is het ijzeren bijltje met houten steel in het driehoekige ‘hoedje op het hoofd bevestigd]. De figuur was gekleed in een lang gewaad van donkerblauwe stof [een netkostuum], beklad met leem uit de rivierbedding; op het gewaad werden hier en daar donker gevlekte juju-bladeren bevestigd; op zijn hoofd droeg hij een krokodilmasker, gesneden uit hout, mogelijk een afbeelding van Nimm zelf. De figuur werd geacht doof te zijn voor de stemmen van mensen en alleen die van dieren uit de wildernis te horen, behalve als hij werd gewekt met het geluid van een trompet. Het is het grote jacht-Juju, en is nog niet eerder aan een Europeaan verschenen. Ook dit omschrijft Susan Vogel als in de Ejagham stijl. Opmerking van Jim Ross: zie ook het commentaar bij nr. 666.1
    > N. de la Croix: nr. 583.4. Tekening van een mensenoffer aan een goede geest in Quoua of Old Calabar; hierbij wordt het slachtoffer aan zijn middel aan een boven het water hangende boomtak vastgebonden op zo’n manier dat zijn handen en voeten het water raken, want anders zou het offer waardeloos zijn. Gewoonlijk is het uitgekozen slachtoffer een oude, waardeloze slaaf die niet meer kan werken en niet meer kan worden verkocht. Het slachtoffer wacht op zijn dood, blootgesteld aan de hete zonnestralen van de zon en vormt een lokaas voor de vraatzuchtige krokodillen en roofvissen, die hem soms al de ledematen afrukken voor hij is gestorven.
    Wat betreft de priesters, die deze wrede gewoonte onderhouden, zij dragen een mensenschedel voor hun gezicht, en op dit afschuwelijke masker zijn ossenhoorns geplaatst; hun hele lichaam is bedekt met een hars, gemaakt uit gedroogde kruiden; om hun uitrusting te completeren, hangen zij een ossenstaart aan de achterkant die tot op de grond neerhangt; soms vervangt een hoed met drie hoorns de ossenhoorns, en de kop van een hond of een aap de mensenschedel.
    > Amaury Talbot, 1915: nr. 591. Het beeld van een Juju in zijn eigen hutje, die een familie tegen hekserij beschermt. Over de juju’s wordt nog aangegeven dat er goede en slechte juju’s zijn. De goede worden door de Ibibio’s Idemm genaamd en door de Efiks ndemm, die vrijwel allemaal vrouwelijke attributen schijnen te hebben en als aanvullende titel ‘Schenker van Baby’s, terwijl de cultus slechts door mannen schijnt te worden bediend. De slechte juju’s worden Mbiam genoemd, en die worden (veelal?) door priesteressen bediend, die echter hun identiteit voor de mannen geheim proberen te houden; naar hen gaan vrouwen in moeilijkheden, in het bijzonder zij die de hulp van de juju willen inroepen, om een succesvolle rivaal uit de weg te ruimen, of de vloek van onvruchtbaarheid op te leggen aan een meer begunstigde mede-echtgenote. NB. Kennelijk gebruiken zo wel de Ibibio als de Ifik dit soort juju’s’; niet is aangegeven dat deze foto bij de Efik is gemaakt, het kan dus ook bij de Ibibio zijn gebeurd.
    > Frobenius, 1898: nr. 1246 + 1246.3 als specificatie van 1246. De weergave van een aantal maskers, waarvan de nrs. 68 t/m 74 afkomstig van Calabar. In de toelichting bij 1246.3 wordt nog nader aangeduid dat de nrs 69, 72 en 74 van New Calabar zouden zijn, waardoor dus de maskers in de Ijo (Iljaw) stijl worden geëlimineerd. Naar mijn oordeel zien we in de maskers de nrs. 68, 70 en 73 duidelijke Ibibio invloeden, wat dus wel past bij Old Calabar. Mogelijk komt de aangegeven herkomst van Frobenius zelf, die de stukken wellicht ter plaatse heeft verzameld.
    > Amaury Talbot, 1913. Nr. 1246.1. Een regenboog juju in een inlandse hut. Hierbij wordt vermeld dat veel leden van de Nimm Asam cultus in staat zouden zijn, maar in wisselende mate, een regenboog tevoorschijn te brengen, waardoor het ophoudt te regenen; de onbelangrijke leden kunnen slecht een regenboog voortbrengen die maar enkele uren duurt, maar de hogere leden kunnen zorgen voor meerdere dagen met mooi weer. Susan Vogel geeft aan dat deze juju uit het Cross River gebied komt, en zou zijn in de stijl van de Ejagham of de Efik. Er staat dus niet vast dat deze figuur uit Old Calabar komt.
    > Oldman, 1906. Nr. 1303.1 Afgebeeld worden diverse objecten, waarvan de nrs 58 (afzonderlijk afgebeeld en omschreven in nr. 1303.1/5 en 59, beide fetish staven, mogelijk uit Old Calabar komen.

    2) In het (besloten) Yale-G.v.Rijn Archive vond ik 11 foto’s van 10 stukken, die met meer of minder zekerheid een toeschrijving hadden aan de Efik, namelijk
    Nr. 002.3034. Staande figuur van 62,5 cm; geveild bij Christies in Amsterdam op 7/12/1998, lot 161. Hierbij wordt als herkomst gemeld: Ejagham (Ekoi complex) of Efik. N.B. Deze figuur draagt een hoornvormig kapsel, waarbij vals haar zal zijn gebruikt (zoals door Jones is vermeld; zie hierboven bij diversen)
    Nr. 004.3647. Metalen diep bord (brons of messing) met een diameter van 90 cm. De rand is rijk abstract gedecoreerd en de bodem van het bord is versierd met een grote staande figuur en twee kleinere figuren. Herkomst: Efik. Het object is geveild bij Christies in Londen op 29 juni 1994, lot 164.
    Nr. 006.4684. Metalen bord (brons of messing) met een diameter 30,1 cm. De rand is gedecoreerd met gegraveerde driehoeken en de bodem vertoont een gezicht met open mond met tanden, en met wat vermoedelijk hoorns (van vals haar?) zijn, omgeven door bladmotieven (?). Als herkomst wordt aangegeven: Efik of Ejagham. Het object is eigendom van het museum für Völkerkunde, Wenen en is in 1909 in de collectie opgenomen.
    Nr. 010.0625. lange smalle kalebaspalmwijnbeker, H. 29 cm. Aangegeven herkomst Ibibio of Efik. Behoort sinds 1894 tot de collectie van het Staatliches Museum für Völkerkunde, München en is in 1999 gepubliceerd in het boek van Maria Kecskesi: Kunst aus Afrika‘. Museum für Völkerkunde München’: 225, cat. no. 229.
    Nr. 012.1116. Gelaatsmasker met hoorns, met losse onderkaak; hoogte 44 cm. In 1915 in de collectie van Ethnologisches Museum (SMPK) te Berlin, gekomen; gepubliceerd in Kurt Krieger en Gerdt Kutscher in ‘Westafrikanische Masken”, 1960: 46, afb. 25 (als Egbo, Old-Calabar).
    Nr. 012.1852. Opzetmasker, bedekt met een huid. De afbeelding is opgenomen n het boek van G.I. Jones, ‘The Art of Eastern Nigeria’, 1984: 192, afb. 100. Het masker bevindt zich in de collectie van het Nigerian Museum. Gwilym Iwan Jones gaf er bij het Yale archief het volgende commentaar op: ‘dit hoofd stelt een mooie vrouwelijke geest voor in de Ikem of Ekpe (Egbo) maskerade; Creek Town, Old Calabar. Efik Ibibio’.
    Nr. 012.1854. Opzetmasker, bedekt met een huid. Ook dit masker is door G.I. Jones gepubliceerd in zijn boek ‘The Art of Eastern Nigeria’, 1984: 193 afb. 101. Gwilym Iwan Jones gaf hier als commentaar op: ‘dit met huid bedekte hoofd stelt voor een mooie vrouwelijke geest in de Ikem of Ekpe (Egbo) maskerade; afkomstig uit Creek Town, Old Calabar; Efik Ibibio’.
    Nr. 012. 2241. Masker met een halffiguur erop. H. 64,7 cm. Herkomst: Efik? Privé collectie. Commentaar Witmer (Marcilene K) en Arnett (William): ‘The Efik wonen aan de oostkant van het estuarium en langs de beneden Cross River. Als handelaars, die in voortdurend contact staan met andere Cross River groepen assimileerden de Efik beeldhouwstijlen en verspreidden die over een groot gebied langs de rivier. Daarom is hun werk vaak soortgelijk aan (en wordt verward met) het werk van andere groepen zoals de Ibibio en de Ajagham. Het naturalisme van dit stuk duidt op een relatie met de kunst van groepen van het estuarium en de kust. Echter het helmtype masker vorm met een vrouwelijke halffiguur erop , is ontleend aan Ejagham groepen uit het binnenland’.
    Nr. 012.2242. Staande figuur, H. 75,5 cm. Privé collectie; herkomst: Efik?
    Nr. 012.2244. Opzetmasker met gebogen hoorns, H. 65,5 cm. Privé collectie. Herkomst: Efik? Commentaar Witmer (Marcilene K) en Arnett (William): ‘Dit stuk is waarschijnlijk van de Efik, en heeft ook duidelijke verwantschap met zuidelijke Ibibio groepen ten westen van het estuarium. Maskeropzetten van dit type worden geassocieerd met het Ekpe genootschap aan de Cross River, door de Efik ontleend aan de Ejagham. Het gebogen hoornkapsel is gangbaar langs de Cross River van de Efik tot de Yakö’.

    De toeschrijvingen aan de Efik blijken dus nog al eens moeilijk te zijn.

    Dick.

  2. Efik – Oron. De Ekpu beelden van de Oron.

    In het boek van Hans Himmelheber ‘Negerkunst und Negerkünstler’ (1960) vond ik op de pag. 284/5 vermeld dat wij van de Efek [ = Efik] aan de Cross River, een onderstam van de Ibibio, figuren kennen, die op graven stonden; zij waren gesneden in een geheel eigen stijl met fijne ledematen en een dikke buik. Ze zijn ongeveer 1 ½ m hoog en ongewoon zwaar. Men heeft er een groot aantal van bijeengebracht in een klein museum in de plaats Oron, van waar men met een veerboot naar [Old] Calabar vaart en daarom spreken de kenners van de negerkunst over “Oron-figuren”, “Oron-palen”.

    Ik heb toen gezocht wat ik nog over de Oron en hun beelden kon vinden:
    • In het boek van Elsy Leuzinger “Die Kunst von Schwartz Afrika” (1972), p 196, worden de Oron beelden omschreven als uit de paalvorm ontwikkelde en uit afgeronde delen bestaande voorouderbeelden, waarvan het oppervlak sterk is geërodeerd of door termieten aangevreten. Er zijn mannen met baarden, met hoeden op hun ronde hoofd, die attributen in hun handen dragen. Het zijn ernstige, waardige stamhelden van grote kunstzinnige kracht. Het Ekpo genootschap, dat hen verzorgde, eerde hen als wijze raadgevers en schenkers van levenskracht.
    • In het boek van Karl-Ferdinand Schädler “Afrikanische Kunst”(1975) p 158, wordt vermeld dat de Oron, een kleine onderstam van de Ibibio uit het westelijke mondingsgebied van de Cross River, slechts tot de eeuwwisseling hun beroemde voorouderfiguren hebben gesneden, zodat alle bestaande, authentieke stukken voor die tijd moeten zijn ontstaan. En inderdaad vertonen de meeste van deze voorname waardigheid uitstralende sculpturen ondanks het uitermate tegen verwering bestand zijnde ‘ijzerhout’ (waarvan er zo’n 20 soorten bestaan) waarin zij zijn gesneden, een sterke mate van verwering – die hen echter een bijzondere bekoring verleent. [NB Op de websites van het Universiteit van Iowa resp. het Metropolitan Museum wordt aangegeven dat de Oron zich hardnekkig tegen de koloniale invasies verzetten, waardoor de Britten pas aan het eind van de Eerste Wereldoorlog in staat waren vaste voet te krijgen in de regio, resp. dat de beelden, wat langer, namelijk tot de jaren 1930 werden vervaardigd].
    • In het boek van Jacques Kerchache, Jean-Louis Paudrat en Lucien Stephan “L’Art Africain” (1988), p 552, wordt over de Oron geschreven, dat deze kleine groep, die woont in het estuarium van de Cross River, verwant is aan de Ibibio, maar een oudere oorsprong claimt dan hun buren. Hun Ekpu figuren werden gemaakt na de dood van een notabele; deze beelden droegen altijd de baard van een chief, en hielden in hun handen voorwerpen, specifiek voor de afgebeelde persoon: hoorns en waaiers; zij hadden een hoed op hun hoofd. Het paalvormige beeld bestaat uit een cilinder van hout, die in secties is verdeeld: het hoofd, de hals, de armen in rechte hoeken, een langwerpig lichaam en korte benen die een groot voetstuk vormen. De Ekpu figuren stonden in een rij in het obio heiligdom en tweemaal per jaar bewezen de ouderen hen een cultus waarbij zij hen offers brachten van voedsel en drank. Het vervaardigen van deze beelden is gestaakt aan het begin van deze eeuw, maar had 1 ½ eeuw geduurd.
    • In het boek van P.W. Gathercole “The Politics of the Past” (1990) wordt op pag. 296 vermeld dat er in 1944 zo’n 1.296 Oron Ekpu beelden bekend waren en dat later daarvan ongeveer de helft door de rechthebbenden in bruikleen werd gegeven aan het door Kenneth Murray in 1958 special voor deze beelden opgerichte Oron Museum. Tegenwoordig resteren er in dat museum nu nog maar 116, zij het dat enkele beelden elders worden bewaard. Op pag. 297/9 wordt aangegeven dat er voor de burgeroorlog meer dan 640 Ekpu beelden in het Oron Museum aanwezig waren. En verder, dat veel stukken waren vernietigd door omgevingskrachten, terwijl er ook enkele werden verbrand voor het spirituele heil van tot het Christendom bekeerde mensen. Tijdens de burgeroorlog van 1967-1970 [de Biafra oorlog, toen de Ibo zich wilden afscheiden van Nigeria] werd het museum zwaar beschadigd en werden er vele beelden gebruikt als brandhout, maar werden er ook sommige geroofd en naar het buitenland gebracht.
    • In het boek “Africa, The Art of a Continent” (1999) onder redactie van Ton Phillips, wijst Keith Nicklin op p 380/1 nog op de tatoeages op de buik en op de slapen aan beide kanten van het hoofd en op het korte rokje, gesneden onder de navel en op de relatief kleine genitaliën en korte benen. Zijns inziens zijn de hoornachtige voorwerpen, die zij vaak in de hand houden afbeeldingen van palmwijndrinkhoorns of symbolen van de hoedanigheid van oudste lid van de lineage, en werden de beelden gesneden uit een harde houtsoort zoals ‘camwood’ (Pterocarpus). De beelden werden gesneden na het overlijden van een oudere; zij werden geplaatst in het vergaderhuis (obio) van het dorp; daar kregen zij offers en werd op hen een beroep gedaan te zorgen voor het welzijn van de gemeenschap en rampen af te wenden, in het bijzonder het verlies van bemanningen en kano’s. Na verloop van tijd kwamen er steeds meer beelden in de obio te staan en gingen die symbool staan voor de identiteit van de lineage en de rechten van hun eigenaars; zo gingen zij een bevestiging vormen van de autoriteit van de levende dorpsoudsten. Door de bekering van de mensen tot het Christendom aan het begin van de 20e eeuw werden de beelden niet meer goed verzorgd en raakten ze in slechte toestand. Kenneth Murray, de eerste toezichthouder in Nigeria op de Oudheden, ging zich er voor interesseren en publiceerde in 1947 en gedetailleerde beschrijving van deze beelden. En omdat de Oron ouderen weigerden toestemming te geven ook maar een beeld uit het clan gebied weg te laten halen, stimuleerde hij de stichting van een museum in Oron om daar de Ekpu figuren te bewaren. Oorspronkelijk lieten de koloniale autoriteiten een klein aarden bouwwerk voor dit doel oprichten, maar door het dreigende gevaar van brand [het strodak] en door een reeks diefstallen eind jaren 1950 (waardoor een aantal van deze beelden in collecties in Europa en Amerika kwamen) werd er uiteindelijk een passend museum geopend rond de tijd dat Nigeria onafhankelijk werd (1960). Oorspronkelijk bewaarde men de beelden voor hun eigenaars [de lineages] (gewoonlijk vertegenwoordigd door een lineage hoofd) en hadden de eigenaren het recht hun traditionele riten bij het beeld in het museum uit te voeren, maar in de praktijk vonden deze zelden of nooit plaats. Tijdens de burgeroorlog zouden er veel van de beste exemplaren gestolen zijn of verbrand als brandhout in een vluchtelingenkamp in Umuahia.
    • Volgens Wikipedia zijn de Oron nauw verwant aan de Efik en de Eket, en spreken een eigen dialect, het Oron, maar spreken en verstaan het Efik ook prima. Zij hebben hun eigen koning, de Ahta Oro. Het Ekpe genootschap oefent er grote autoriteit uit. Hun voornaamste bezigheden zijn de visvangst en de landbouw.
    • In het besloten Yale-GvRijn Archive vond ik 98 verschillende Ekpu figuren afgebeeld. In feite zullen er heel wat meer in omloop zijn omdat hier alleen zijn opgenomen de stukken, geveild op de grotere veilingen of afgebeeld in bepaalde kunstboeken.
    • In het Ross Archive of African Images vond ik drie afbeeldingen w/o die van een Egbo danser, een Ekung danser en een familieschrijn (van dit laatste is niet helemaal zeker of het Oron is). Zie website” http://rossarchive.library.yale.edu/web/site/index.php?globalnav=image_detail&image_id=1314

    Conclusie. Uit de voorgaande informatie komt naar voren, dat de Oron anders dan Himmelheber stelt, geen Efik zijn, maar wel vlak bij hen wonen en nauw aan hen verwant zijn, want beide zijn subgroepen van de Ibibio; zij kennen ook beide het Ekpo genootschap, maar hebben elk hun eigen koning. De Oron waren vooral vissers en niet zozeer handelaars (als de Efik). Anders dan de Efik hebben de Oron zich tot in de Eerste Wereldoorlog verzet tegen de komst van de Britten en zo’n 10 jaar na hun komst kwam er een eind aan hun productie van voorouderbeelden, die zo’n 150 jaar heeft geduurd. Deze Ekpu voorouderfiguren waren zeer specifiek voor de Oron; zij werden gesneden uit het zeer duurzame ijzerhout; zij stelden voor staande paalvormige notabelen met tatoeages op hun buik en hun slapen, met een baard, een hoge hoed, een kort rokje, met hen kenmerkende (waardigheids)objecten in hun handen; de figuren stonden in een rij in het vergaderhuis (waarschijnlijk op basis van anciënniteit), zodat men de reeks historische voorouders van de lineage kon zien en ook dat deze lineage al lang in het gebied gevestigd was. De beelden werden volgens Elsy Leuzinger beheerd door het Ekpo genootschap en ze kregen tweemaal per jaar offers van de ouderen; de afgebeelde voorouders zullen dus vooraanstaande leden van dit genootschap zijn geweest (behorend tot de hoogste graad). Aanvankelijk waren er bijna 1.300 Ekpu beelden, welk aantal daarna daalde o.m. door verwering en door verbranding door bekeerde Christenen; ongeveer de helft van dit aantal (meer dan 640 beelden) werd aan het in 1958 door de bekende Kenneth Murray opgerichte Oron Museum uitgeleend door de rechthebbenden; daarvan zijn er tijdens de burgeroorlog vele gestolen of vernietigd, waardoor er nu in het museum nog slechts 116 stuks resteren plus enkele beelden die elders in Nigeria worden bewaard. In de westerse landen zijn er momenteel minstens 100 Ekpu beelden in omloop. Het totale aantal Ekpu is dus minimaal zo’n 220 stuks, die in wisselende staat van verval verkeren.
    Uit bovenstaande blijkt dus ook dat een authentiek Oron beeld gemaakt moet zijn van ijzerhout, minstens 90 jaar oud moet zijn, in mindere of meerde mate aan erosie onderhevig moet zijn geweest en uiteraard moet volden aan de esthetische eisen van de Oron aan zo’n beeld.
    Een afbeelding van een fraai Oron beeld is te vinden op de website van het Metropolitan Museum, http://www.metmuseum.org/toah/works-of-art/2007.173

    Dick

  3. Hier staat zo veel wat niet klopt. Heel erg veel whitesplaining. Heel veel onjuiste informatie uit een zeer duistere tijd vanuit de witte mensen.
    Ik lees voornamelijk veel oordelen en onwaarheden. Gelukkig kennen de Efiks hun eigen achtergrond goed want wat hier staat is echt grotendeels kul. Overduidelijk door iemand geschreven die dacht het allemaal te weten als wit persoon en niet goed heeft geluisterd naar het volk. Dat gebeurt er als je op mensen neerkijkt

    Zelfs de naam Calabar is niet de oorspronkelijk naam van de stad. Dat hangt allemaal samen met de slavernij. Grappig dat het onderdeel slavernij en kolonisatie zo matig wordt beschreven, zodat de witte man er weer ongeschaad vanaf komt. Calabar heeft zelf een museum, waar dit wel wordt verteld. Daarnaast was Calabar de eerste slavenpost van heel Nigeria en zijn er tenminste 30% van alle tot slaafgemaakten door de Engelse, vanaf daar vervoerd. Deze periode heeft ontzettend veel schade achtergelaten en het leven van de mensen daar drastisch veranderd. Maar dat vind ik hier onvoldoende terug.

    Zeer teleurstellend. Maar bovenal is dit zeer beledigend.

    – Een Efik vrouw

Leave a Reply

Your email address will not be published.